Commis­sie­bij­drage REA en ROM


30 januari 2020

Navelstaren op economische groei is voor ons onwenselijk. Het is naïef om te blijven geloven in oneindige economische groei in een wereld die ecologische grenzen kent. Dan schieten we dwars door het ecologisch plafond heen dat de aarde kan bieden. De noodzaak daarvan werd deze week eens te meer duidelijk: nog nooit verbruikte de mens namelijk zoveel grondstoffen. Meer dan 100 miljard ton in één jaar.

De Partij voor de Dieren wil toe naar een economie gericht op bestaanszekerheid, brede welvaart, binnen de ecologische grenzen. Oftewel: de donut economie. We zijn daarom sceptisch op investeringen voor economische groei, en daarmee op de REA en de ROM. Wel moeten we toegeven dat de focus op een groene, gezonde en slimme economie, met aandacht voor brede welvaart, ons ergens wel aanspreekt. Maar het is ook logisch. Maar toch vragen we ons af: als we actief sturen op meer groene bedrijven, sturen we dan zet zo actief op minder vervuilende bedrijven?

En toch: de ambitie is, zo lezen we in het voorstel, economische groei gepaard te laten gaan met kwaliteit van leven, brede en inclusieve welvaart en een balans tussen natuur en verstedelijking. Wij zouden het liever omdraaien. Dat wil zeggen de ambitie voor kwaliteit van leven, inclusieve welvaart, natuur, etc. centraal stellen. Economische groei is dan meer bijzaak in plaats van uitgangspunt.

Vraag aan de wethouder: hoe heeft hij in de REA en in de ROM het idee van het ecologische plafond ingebouwd? Wanneer is volgens hem de economische groei genoeg? Utrecht is immers al economisch heel sterk.

We lezen dat de REA een focus gaat hebben op onder meer ‘gezonde mensen’? kan de wethouder toezeggen dat dit verbreed kan worden naar ‘gezonde mensen en dieren’, waarbij we natuurlijk geen bedrijvigheid willen die gebruikt maakt van dierproeven?

En specifiek over dierproeven: deze vorm van onderzoek is verschrikkelijk voor honden, konijnen, apen en vele andere dieren in proefdiercentra. Ook zijn ze totaal niet efficiënt. De Partij voor de Dieren wil dat er juist flink geïnvesteerd wordt in proefdiervrij onderzoek. Vraag: In hoeverre kan de wethouder voorkomen dat de gemeente, middels de ROM, in dierproeven investeert en kan hij toezeggen dit te voorkomen door dit op te nemen in de kaders die we meegeven?

Ten tweede: van het woord agrofood, opgenomen in de ROM, worden we ongerust. Als PvdD willen we niet dat onze overheid investeert in dieronvriendelijke en milieuvervuilende landbouw. Kan de wethouder toezeggen dat binnen de ROM geen investeringen worden vrijgemaakt voor bioindustrie, en als agrofood landbouw betreft dat het dan natuurinclusieve kringlooplandbouw betreft?