Schrif­te­lijke vragen Een verkeers­veilige Ooster­spoorbaan met respect voor de omgeving II


Indiendatum: apr. 2020

Schriftelijke vragen 79/2020

Onlangs hebben wij een bezoekje gebracht aan de Oosterspoorbaan, en dan in het bijzonder het stukje waar deze samenkomt met de Maliesingel. Naar aanleiding daarvan hebben wij vragen gesteld (SV 2020 nr. 040). Wij hebben nu een aantal vervolgvragen.

In de antwoorden wordt aangegeven dat de richtlijn rondom de helling geen andere mogelijkheden biedt. Ook staat er o.a.:

-“Bij een nog steilere helling moet men te veel moeite doen om op de Maliesingel te komen.”
-
“Bij de flauwe helling van maximaal 4% in het huidig ontwerp zal de snelheid net voor aankomst op de Maliesingel op een natuurlijke wijze afremmen.”

De antwoorden op onze vorige schriftelijke vragen bevat echter een heel ander argument: “Hiermee zijn kosten bespaard, doordat voor een groot deel de fundering van het fietspad er al ligt.“

1. Waar zijn deze uitspraken op gebaseerd? Kan dit gedeeld worden met de gemeenteraad?

2. Kan de gemeente hier een second opinion op laten uitvoeren, om te bezien hoeveel lager het fietspad kan liggen om alsnog een acceptabele helling voor de fietsers te behouden?

3. Wij hebben gezien dat de fietsweg, (de opgehoogde oude spoorsloot) bijna louter bestaat uit puin en zand. Onder de spoorsloot ligt een oud riool. Kunt u aangeven hoe en welke van de factoren een verlaging van het fietspad onmogelijk maakt/ maken?

4. Klopt het dat de gemeente de betreffende partij is die de hoogte bepaalt? Zo ja, kan het college in dit stadium alsnog besluiten om de hoogte van het fietspad te verlagen?

Ten aanzien van het participatieproces hebben wij ook nog wel wat vragen. In uw antwoord gaf u aan dat sommige aspecten, waaronder de hoogte, “niet geschikt waren voor uitgebreide participatie”.

5. Waarom niet, en wat is “uitgebreid”? Wanneer wel en wanneer niet?

Het verslag van de bewonersavond (16 oktober 2018) noemt de hoogte van het fietspad niet. De tekening die werd nagestuurd meldt expliciet dat de hoogte van de bouwweg tijdelijk is. Na afloop van de bijeenkomst hebben omwonenden de gemeente per e-mail benaderd en hun zorgen geuit. Dit gaat dus om andere zaken dan bomen en verdere groeninrichting.

6. Waarop baseert het college (in antwoord 3 op onze SV), dat er bij de informatieavond in oktober 2017 is aangegeven dat de tijdelijke bouwweg en het fietsbad beide op 2,55 meter worden aangelegd? In het verslag van deze avond staat niets over dat hierover gesproken zou zijn, laat staan dat er een hoogte wordt genoemd. Is er een presentatie gegeven en kunnen wij die presentatie ontvangen, zodat we de verschillen in de herinnering die bewoners aan deze avond hebben en die het college heeft beter kunnen duiden?

7. Heeft de vroege aanleg van de fundering van het fietspad de inspraakmogelijkheden beïnvloed, en klopt het dat de vroege aanleg van deze fundering vooral gunstig was voor de projectontwikkelaar en niet voor de omwonenden die nadelen ondervinden van zowel de bouwweg (veel lawaai en inkijk) als de hoge fietsweg en bezwaar hebben aangetekend (bewoners van Maliesingel 65, 66, 67, 68, 69, 70, en de SSH)?

8. Hoe heeft het college gecommuniceerd over de hoogte van het fietspad? Wanneer en waarom: werd die hoogte aangekondigd als “tijdelijk”?

9. Welke bereidheid heeft de gemeente getoond om na de bewonersavond hierover in gesprek te gaan met de omwonenden over de hoogte van het fietspad en alle mogelijke alternatieven te onderzoeken voor het verlagen ervan?

Getuige het feit dat de fietsersbond een suggestie deed in de zienswijze en daarop de gemeente het DO ineens wél heeft aangepast, terwijl eerder is gezegd dat het DO niet meer kón worden aangepast, hebben wij de volgende vraag:

10. Hoe kan het zijn dat in februari 2019 werd gezegd dat de hoogte van het fietspad niet meer aangepast kon worden, terwijl het DO pas in juli 2019 definitief werd?

Omwonenden hebben zelf twee landschapsarchitecten benaderd en gevraagd of een lager gelegen fietsweg mogelijk was binnen de ‘richtlijn Ontwerpwijzer fietsverkeer CROW’. Beiden hebben deze vraag met ‘ja’ beantwoord en ook de voordelen van een lager gelegen fietspad benoemd, oa. voor de veiligheid, maar zeker ook voor de cultuurhistorische waarde van de spoordijk, spoorsloot en het oude tuindersgebied rond de Minstroom. Dit hebben zij ook te kennen gegeven aan de gemeente. Er schijnt ook een architectuurhistoricus vanuit de Afdeling Erfgoed van de gemeente te zijn betrokken, wiens advies t.o.v. de cultuurhistorische elementen niet zou zijn overgenomen. Ook deze Adviseur Erfgoed kreeg het niet voor elkaar om aanpassingen (in de hoogte van het fietspad) te doen in het ontwerp.

11. Klopt dit? En zo ja, wat waren deze adviezen en waarom zijn deze niet opgevolgd?

Omwonenden geven aan al sinds 2017 de gemeente te benaderen om inspraak te kunnen hebben in het project. Tientallen omwonenden hebben ook bezwaar gemaakt en in april 2019 is een afspraak geweest met de wijkwethouder. Tevens is er een zienswijze ingediend op 25 februari 2019 (t.a.v. wethouder Van Hooijdonk) door één van de omwonenden en zijn er handtekeningen verzameld.

12. Waarom zijn verwijzingen naar deze momenten (en documenten) niet opgenomen in de beantwoording van onze eerdere schriftelijke vragen?

Deze omwonenden kregen eerst als antwoord dat hun bezwaren “te prematuur” zouden zijn, later was het opeens een “gepasseerd station”. In de vorige beantwoording zegt u dat u een zorgvuldig proces, participatie en communicatie heeft doorlopen. Dit klinkt in onze oren niet als een “zorgvuldig” proces. En het matcht al helemaal niet met uw antwoord: “Ook hadden zij de mogelijkheid om formeel een zienswijze in te dienen, waarover zij van tevoren zijn geïnformeerd. Het plan lag van 26 juli 2019 tot 6 september 2019 ter inzage.”

13. Hoe beoordeelt het college de gang van zaken richting de omgeving? Zijn er dan echt geen dingen die vanuit de gemeente gezien beter hadden gekund?

14. Hoe is zij omgegaan met de suggesties die door omwonenden zijn gedaan op diverse momenten? En hoe rijmt dit met de onvrede die er nu nog heerst?

Vooruitkijkend naar de toekomst, willen wij graag weten welke negatieve gevolgen de huidige keuzes van dit college hebben en of we die nog kunnen voorkomen of minimaliseren.

15. Hoe ver is de uitvoering van de aanleg van het fietspad gevorderd en wat is de huidige planning? Welke mogelijkheden zijn er (technisch, los van de politieke keuze wat wenselijk is), om te pauzeren, te heroverwegen en een andere inrichting te kiezen?

16. Zal er naar verwachting van de gemeente planschade optreden bij het huidige plan van het college? Zo ja, om welk bedrag gaat het naar schatting dan? Het antwoord op deze vraag mag overigens ook geheim/vertrouwelijk beantwoord worden, als openbaarheid de positie van de gemeente zou schaden.

17. Wij zien nog steeds veel verkeersonveiligheid ontstaan bij de bocht. Daarover geeft u in uw eerdere antwoord aan: “De Fietsersbond Utrecht heeft op 5 september 2019 een zienswijze ingediend over onder andere de boogstraal van deze bocht. Wij hebben het ontwerp geoptimaliseerd n.a.v. deze zienswijze door de boogstraal van de binnenbocht te verruimen van 4 naar 5 meter.” Dit klinkt nog steeds als “suboptimaal” en “iets minder gevaarlijk”, maar niet bepaald als de zogeheten optimale variant. Zou het niet beter zijn om deze bocht wellicht te schrappen uit het ontwerp? Wat zijn voor- en nadelen van een ontwerp zonder deze bocht?

Jantine Zwinkels, CDA
Anne Sasbrink, Partij voor de Dieren

Schriftelijke vragen 79/2020

Onlangs hebben wij een bezoekje gebracht aan de Oosterspoorbaan, en dan in het bijzonder het stukje waar deze samenkomt met de Maliesingel. Naar aanleiding daarvan hebben wij vragen gesteld (SV 2020 nr. 040). Wij hebben nu een aantal vervolgvragen.

In de antwoorden wordt aangegeven dat de richtlijn rondom de helling geen andere mogelijkheden biedt. Ook staat er o.a.:

-“Bij een nog steilere helling moet men te veel moeite doen om op de Maliesingel te komen.”
-“Bij de flauwe helling van maximaal 4% in het huidig ontwerp zal de snelheid net voor aankomst op de Maliesingel op een natuurlijke wijze afremmen.”

De antwoorden op onze vorige schriftelijke vragen bevat echter een heel ander argument: “Hiermee zijn kosten bespaard, doordat voor een groot deel de fundering van het fietspad er al ligt.“

1. Waar zijn deze uitspraken op gebaseerd? Kan dit gedeeld worden met de gemeenteraad?

De antwoorden op vragen 6 en 7 van SV 2020/40 geven de technische redenen aan voor de hoogteligging van het fietspad. Daarbij zijn de hoogtes van de Abstederdijk, de nieuwe brug over de Minstroom en de Maliesingel bepalend geweest. Uitgangspunt bij het ontwerp is om een fietspad aan te leggen, dat voldoet aan de richtlijnen van het kennisplatform CROW voor een comfortabele en veilige doorfietsroute.

De tijdelijke bouwweg en de kostenbesparing die daarmee behaald is, hebben geen relatie met de uiteindelijke hoogte van het fietspad. Er was een tijdelijke bouwweg nodig voor de bouwwerkzaamheden aan het Hieronymuserf. Daarnaast zou de Oosterspoorbaan als fietspad doorgetrokken worden. Door deze twee te combineren, is geld en materiaal bespaard. Door de bouwweg op de plek van het toekomstige fietspad te leggen, kon deze als onderbouw dienen voor het toekomstige fietspad.

2. Kan de gemeente hier een second opinion op laten uitvoeren, om te bezien hoeveel lager het fietspad kan liggen om alsnog een acceptabele helling voor de fietsers te behouden?

Wij zien op dit moment geen aanleiding om een second opinion te laten uitvoeren. De antwoorden op vragen 6 en 7 van SV 2020/40 geven de technische redenen aan voor de hoogteligging en de hellingshoek van het fietspad. De aanleghoogte van het fietspad is overigens nog onderdeel van het beroep dat door een omwonende is ingediend bij de rechtbank. De planning van de uitspraak is op dit moment nog niet bekend.

3. Wij hebben gezien dat de fietsweg, (de opgehoogde oude spoorsloot) bijna louter bestaat uit puin en zand. Onder de spoorsloot ligt een oud riool. Kunt u aangeven hoe en welke van de factoren een verlaging van het fietspad onmogelijk maakt/ maken?

De bestaande riolering is niet van invloed op de hoogte van het fietspad. Verlaging is technisch niet onmogelijk, maar past ons inziens niet in de technische ontwerpuitgangspunten zoals aangegeven in antwoord 1.

4. Klopt het dat de gemeente de betreffende partij is die de hoogte bepaalt? Zo ja, kan het college in dit stadium alsnog besluiten om de hoogte van het fietspad te verlagen?

Ja, dat klopt. Om het ontwerp gedurende de huidige uitvoeringsfase nog aan te passen, zou dat het openbreken betekenen van het contract dat reeds met de aannemer is afgesloten.

Ten aanzien van het participatieproces hebben wij ook nog wel wat vragen. In uw antwoord gaf u aan dat sommige aspecten, waaronder de hoogte, “niet geschikt waren voor uitgebreide participatie”.

5. Waarom niet, en wat is “uitgebreid”? Wanneer wel en wanneer niet?

Op 10 oktober 2017 is bij de presentatie van het voorlopig ontwerp aan omwonenden aangegeven dat de invloed op het ontwerp zich beperkt tot de groeninrichting en de voetpaadjes. Dit is ook zo in het verslag opgenomen, dat daarna is verspreid onder de aanwezigen (zie bijlage 3).

In de beantwoording van vraag 1 van SV2020/40 gaven we aan dat de fysieke ruimte voor het ontwerp beperkt is en dat daardoor dit gedeelte van de Oosterspoorbaan niet geschikt is voor (uitgebreide) participatie, in de zin van uitgebreide invloed op het ontwerp zoals bij fase 1 van de Oosterspoorbaan (tracé Koningsweg tot Abstederdijk) wel het geval was. Dit omdat het inpassen van het fietspad vanwege de beperkte fysieke ruimte, de overbrugging van de Minstroom en de aanwezigheid van kabels en leidingen technisch complex is en daardoor weinig keuzeruimte biedt.

Het verslag van de bewonersavond (16 oktober 2018) noemt de hoogte van het fietspad niet. De tekening die werd nagestuurd meldt expliciet dat de hoogte van de bouwweg tijdelijk is. Na afloop van de bijeenkomst hebben omwonenden de gemeente per e-mail benaderd en hun zorgen geuit. Dit gaat dus om andere zaken dan bomen en verdere groeninrichting.

6. Waarop baseert het college (in antwoord 3 op onze SV), dat er bij de informatieavond in oktober 2017 is aangegeven dat de tijdelijke bouwweg en het fietsbad beide op 2,55 meter worden aangelegd? In het verslag van deze avond staat niets over dat hierover gesproken zou zijn, laat staan dat er een hoogte wordt genoemd. Is er een presentatie gegeven en kunnen wij die presentatie ontvangen, zodat we de verschillen in de herinnering die bewoners aan deze avond hebben en die het college heeft beter kunnen duiden?

Tijdens de informatieavond in oktober 2017, heeft het ontwerpbureau OKRA in haar presentatie van het voorlopig ontwerp met tekeningen en doorsnedes o.a. aangegeven hoe hoog het fietspad zou komen te liggen. Toen was dit nog 2,68 meter NAP (zie bijlage 1). Ook is toen aangeven, dat de tijdelijke bouwweg en het fietspad op dezelfde hoogte zouden worden aangelegd. Op verzoek van enkele aanwezigen is na deze informatieavond in 2017, naast het verslag, een tekening met de hoogtes (nieuw en bestaand) van de bouwweg rondgestuurd aan de aanwezigen (zie bijlagen 2 en 3). In oktober 2018, bij de presentatie van het definitief ontwerp aan bewoners, is de hoogte met 13 cm
verlaagd naar 2,55 meter NAP. Zowel het definitief ontwerp als het voorlopig ontwerp staan op de website.

7. Heeft de vroege aanleg van de fundering van het fietspad de inspraakmogelijkheden beïnvloed, en klopt het dat de vroege aanleg van deze fundering vooral gunstig was voor de projectontwikkelaar en niet voor de omwonenden die nadelen ondervinden van zowel de bouwweg (veel lawaai en inkijk) als de hoge fietsweg en bezwaar hebben aangetekend (bewoners van Maliesingel 65, 66, 67, 68, 69, 70, en de SSH)?

Nee, ons inziens heeft de aanleg van de bouwweg de inspraak niet beïnvloed. Immers, in oktober 2017 is reeds aangegeven dat het fietspad op dezelfde hoogte als de bouwweg zou worden aangelegd. De bouwweg is op verzoek van de gemeente als zodanig aangelegd, omdat daarmee de overlast van bouwverkeer voor de overige bewoners aan de Maliesingel wordt beperkt.

8. Hoe heeft het college gecommuniceerd over de hoogte van het fietspad? Wanneer en waarom: werd die hoogte aangekondigd als “tijdelijk”?

Zie voor de communicatie over de hoogte van het fietspad het antwoord op vraag 6. De hoogte van 2,55 meter NAP voor het fietspad is niet als tijdelijk aangegeven. ‘Tijdelijk’ heeft alleen betrekking gehad op de bouwweg, die uiteindelijk als onderbouw voor het fietspad heeft gediend.

9. Welke bereidheid heeft de gemeente getoond om na de bewonersavond hierover in gesprek te gaan met de omwonenden over de hoogte van het fietspad en alle mogelijke alternatieven te onderzoeken voor het verlagen ervan?

Daar waar de behoefte bestond bij omwonenden om met de gemeente over de hoogte van het fietspad in gesprek te gaan, heeft dat gesprek plaatsgevonden. Toen enkele maanden na de informatieavond van oktober 2018 er alsnog vragen kwamen over de hoogte van het fietspad, is de projectleider op 6 maart 2019 bij vijf bewoners van de Maliesingel thuis langs geweest om extra uitleg
te geven over de hoogteligging van het fietspad in het ontwerp en de redenen waarom verlaging niet als optie wordt gezien. Op dat moment liep de procedure van de aanvraag omgevingsvergunning al en werd het bestek met een extern bureau voorbereid. In september 2019 is de projectleider aangeschoven bij het spreekuur van de wijkwethouder Oost, om de klachten van twee bewoners aan
te horen en daar op te reageren. Daarna heeft de projectleider op 16 oktober 2019 één van deze bewoners nogmaals gesproken, waarbij deze tegemoet is gekomen door de afspraak een extra boom te planten.

Getuige het feit dat de fietsersbond een suggestie deed in de zienswijze en daarop de gemeente het DO ineens wél heeft aangepast, terwijl eerder is gezegd dat het DO niet meer kón worden aangepast, hebben wij de volgende vraag:

10. Hoe kan het zijn dat in februari 2019 werd gezegd dat de hoogte van het fietspad niet meer aangepast kon worden, terwijl het DO pas in juli 2019 definitief werd?

De hoogteligging van het fietspad was vanaf het begin uitgangspunt voor het ontwerp. Naar aanleiding van zienswijzen op de omgevingsvergunning, is het ontwerp nog op enkele details aangepast. De boogstraal van de binnenbocht nabij de Maliesingel is verruimd van 4 naar 5 meter, er is een extra boom toegevoegd achter de tuin van Maliesingel 68 en het hekwerk langs de tuin van Abstederdijk 70A is verhoogd tot 160 cm.

Omwonenden hebben zelf twee landschapsarchitecten benaderd en gevraagd of een lager gelegen fietsweg mogelijk was binnen de ‘richtlijn Ontwerpwijzer fietsverkeer CROW’. Beiden hebben deze vraag met ‘ja’ beantwoord en ook de voordelen van een lager gelegen fietspad benoemd, oa. voor de veiligheid, maar zeker ook voor de cultuurhistorische waarde van de spoordijk, spoorsloot en het oude tuindersgebied rond de Minstroom. Dit hebben zij ook te kennen gegeven aan de gemeente. Er schijnt ook een architectuurhistoricus vanuit de Afdeling Erfgoed van de gemeente te zijn betrokken, wiens advies t.o.v. de cultuurhistorische elementen niet zou zijn overgenomen. Ook deze Adviseur Erfgoed kreeg het niet voor elkaar om aanpassingen (in de hoogte van het fietspad) te doen in het ontwerp.

11. Klopt dit? En zo ja, wat waren deze adviezen en waarom zijn deze niet opgevolgd?

De adviezen van de twee landschapsarchitecten zijn ons niet bekend. Met de Commissie Welstand en Monumenten heeft op 27 mei 2019 een gesprek plaatsgevonden. Daarbij is de hoogteligging en het ontwerp van de fietsbrug besproken. Vanuit het oogpunt van cultuurhistorisch erfgoed is toen ook
gevraagd of verlaging van het fietspad een mogelijkheid zou kunnen zijn. Vanwege de eerder genoemde argumenten (zie antwoorden 1 en 9) is de keuze gemaakt het plan niet meer aan te passen.

Omwonenden geven aan al sinds 2017 de gemeente te benaderen om inspraak te kunnen hebben in het project. Tientallen omwonenden hebben ook bezwaar gemaakt en in april 2019 is een afspraak geweest met de wijkwethouder. Tevens is er een zienswijze ingediend op 25 februari 2019 (t.a.v. wethouder Van Hooijdonk) door één van de omwonenden en zijn er handtekeningen verzameld.

12. Waarom zijn verwijzingen naar deze momenten (en documenten) niet opgenomen in de beantwoording van onze eerdere schriftelijke vragen?

Bij de beantwoording van SV2020/40 is bij vraag 1 het participatieproces toegelicht. Daarbij is vermeld dat er vier zienswijzen zijn ingediend tijdens de zes weken dat de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage heeft gelegen. In de vergunning (wabo 19-01750 d.d. 22 oktober 2019) staat vermeld dat er drie zienswijzen zijn ingediend, waarvan één zienswijze met een handtekeningenlijst. Tot slot is bij onze eerdere beantwoording vermeld dat er, na publicatie van het definitieve besluit op 29 oktober 2019, één beroepsschrift is ontvangen door de rechtbank.
De door u genoemde zienswijze, die op 25 februari 2019 is ingediend, was juridisch gezien helaas “te vroeg” en kon daarom formeel niet als zienswijze worden behandeld. Dit misverstand is ontstaan omdat vanuit de gemeente in eerste instantie niet de juiste procedure rond de omgevingsvergunning is gecommuniceerd. De indiener is hierover schriftelijk door de gemeente geïnformeerd. Regelgeving geeft aan dat een zienswijze kan worden ingediend binnen de termijn van ter inzagelegging van het plan. Aan de vooravond van deze termijn is genoemde indiener, als ook andere belanghebbenden, per mail nogmaals gewezen op de juiste procedure en de start van de termijn op 26 juli 2019, zodat iedereen in de gelegenheid is gesteld gebruik te maken van dit recht. Het gesprek met wijkwethouder Oost vond plaats in september 2019, zie ook antwoord 9.

Deze omwonenden kregen eerst als antwoord dat hun bezwaren “te prematuur” zouden zijn, later was het opeens een “gepasseerd station”. In de vorige beantwoording zegt u dat u een zorgvuldig proces, participatie en communicatie heeft doorlopen. Dit klinkt in onze oren niet als een “zorgvuldig” proces. En het matcht al helemaal niet met uw antwoord: “Ook hadden zij de mogelijkheid om formeel een zienswijze in te dienen, waarover zij van tevoren zijn geïnformeerd. Het plan lag van 26 juli 2019 tot 6 september 2019 ter inzage.”

13. Hoe beoordeelt het college de gang van zaken richting de omgeving? Zijn er dan echt geen dingen die vanuit de gemeente gezien beter hadden gekund?

Een terugkerend onderwerp en het grootste bezwaar in de gesprekken met enkele omwonenden is de hoogte van het fietspad. Wij hebben deze omwonenden niet tegemoet kunnen komen vanwege de eerder genoemde beperkingen vanuit de fysieke omgeving. Zoals gezegd loopt er ook nog een
beroepszaak tegen de verleende vergunning, waarmee inhoud en proces van de vergunningverlening ook nog rechterlijk worden getoetst. Ons beeld op dit moment is dat vanuit de organisatie transparant en respectvol is omgegaan met zaken waar discussie over was met een deel van de omgeving, met als resultaat een mooi en veilig ontwerp waar veel bewoners en fietsers tevreden over zijn. Wij realiseren ons dat dit helaas niet door alle betrokkenen zo is ervaren en dat dit wellicht ook voortkomt uit wisselende boodschappen rondom de vergunningsprocedure. Het doorlopen proces en de manier waarop sommige omwonenden daar naar kijken, leert ons dat het qua verwachtingenmanagement belangrijk is om vroeg en helder te communiceren over mogelijkheden en eventuele beperkingen van inspraak van omwonenden. Ook is het belangrijk om steeds te blijven toetsen of de uitgangspunten en
procedures duidelijk zijn. Dit zijn wezenlijke onderdelen van de participatie; tegelijk realiseren we ons dat draagvlak bij iedereen niet altijd mogelijk zal zijn.


14. Hoe is zij omgegaan met de suggesties die door omwonenden zijn gedaan op diverse momenten? En hoe rijmt dit met de onvrede die er nu nog heerst?

Wij hebben gedurende het gehele traject opengestaan voor suggesties van omwonenden. Daar waar de (al in een vroeg stadium aangegeven) beperkte mogelijkheden dat toelieten, is het ontwerp op diverse momenten aangepast op basis van inspraak van omwonenden (boomassortiment, hekwerk, verruiming boogstraal bocht). Zie ook de antwoorden op vragen 9 en 10. Er is onderbouwd
aangegeven waarom ten aanzien van de hoogte van het fietspad deze ruimte er niet was.

Vooruitkijkend naar de toekomst, willen wij graag weten welke negatieve gevolgen de huidige keuzes van dit college hebben en of we die nog kunnen voorkomen of minimaliseren.

15. Hoe ver is de uitvoering van de aanleg van het fietspad gevorderd en wat is de huidige planning? Welke mogelijkheden zijn er (technisch, los van de politieke keuze wat wenselijk is), om te pauzeren, te heroverwegen en een andere inrichting te kiezen?

Sinds januari 2020 is het project in de uitvoeringsfase. Daarvoor is een contract aangegaan met een aannemer. Het ontwerp heroverwegen zou inhouden dat dit contract juridisch opengebroken moet worden, met vertraging en meerkosten als direct gevolg. De werkzaamheden zijn inmiddels gestart, verwachting is dat uiterlijk medio juli 2020 het fiets- en voetpad Park Oosterspoorbaan gereed zullen zijn. Vanwege het plantseizoen zullen eind 2020 de bomen en het groen worden aangeplant. Omwonenden zijn op 2 april 2020 via een wijkbericht hierover geïnformeerd.

16. Zal er naar verwachting van de gemeente planschade optreden bij het huidige plan van het college? Zo ja, om welk bedrag gaat het naar schatting dan? Het antwoord op deze vraag mag overigens ook geheim/vertrouwelijk beantwoord worden, als openbaarheid de positie van de gemeente zou schaden.

We verwachten niet dat er planschade zal optreden.

17. Wij zien nog steeds veel verkeersonveiligheid ontstaan bij de bocht. Daarover geeft u in uw eerdere antwoord aan: “De Fietsersbond Utrecht heeft op 5 september 2019 een zienswijze ingediend over onder andere de boogstraal van deze bocht. Wij hebben het ontwerp geoptimaliseerd n.a.v. deze zienswijze door de boogstraal van de binnenbocht te verruimen van 4 naar 5 meter.” Dit klinkt nog steeds als “suboptimaal” en “iets minder gevaarlijk”, maar niet bepaald als de zogeheten optimale variant. Zou het niet beter zijn om deze bocht wellicht te schrappen uit het ontwerp? Wat zijn voor- en nadelen van een ontwerp zonder deze bocht?

Dit ontwerp zien wij verkeerskundig als de meest gunstige en veilige optie binnen de beperkte mogelijkheden. De aansluiting op de buitenbocht van de Maliesingel zorgt voor overzicht op het verkeer van de Maliesingel. Omdat fietsverkeer vanaf de Oosterspoorbaan voorrang moet verlenen op het verkeer van de Maliesingel, is een lage toenaderingssnelheid gewenst. Een lichte helling omhoog richting de Maliesingel, in combinatie met de bocht, zorgt voor een lage toenaderingssnelheid. De iets ruimere boogstraal van 5 meter geeft fietsers meer ruimte om elkaar te passeren. Hiermee zorgen we voor een veilige aansluiting op de Maliesingel.

Jantine Zwinkels, CDA
Anne Sasbrink, Partij voor de Dieren