Schrif­te­lijke vragen Sluiting koffiehuis, intrekking vergunning en uitsluiting vanwege BINGO


Indiendatum: 1 dec. 2021

Schriftelijke vragen 285/2021

Op 25 november 2021 verscheen in het AD het bericht over het Turks koffiehuis dat in 2019 voorgoed dicht moest, omdat ze tijdens de Ramadan bingo speelden. Dat werd door de gemeente gezien als illegaal gokken waarbij de vergunning van het familiebedrijf werd ingetrokken, de betrokkenen werden uitgesloten voor het aanvragen van een toekomstige horecavergunning in verband met slecht levensgedrag en het pand een jaar lang moest sluiten om een gevaar voor de openbare orde en veiligheid van de buurt te voorkomen. Onlangs besloot de Raad van State dat de intrekking van de vergunning door de gemeente niet juist is geweest en heeft de beslissing op bezwaar (d.d. 24-1-2020) die betrekking had op de sluiting van het koffiehuis Transwijk en intrekking van de horecavergunning vernietigd. Zie voor de uitspraak: ECLI:NL:RVS:2021:2445

De Raad van State overwoog dat niet aannemelijk is gemaakt dat er veel geld omging bij de bingo en dat andere prijzen konden worden gewonnen dan prijzen met kleine geldwaarde. Aansluitend overwoog de Raad van State dat de gemeente niet aannemelijk had gemaakt dat het van kracht blijven van de horecavergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid of voor de woon- en leefsituatie.

Voor de fracties van DENK, Partij voor de Dieren, GroenLinks, Stadsbelang, PvdA, VVD, D66, Student&Starter en SP komt de uitspraak niet als een verrassing, omdat in 2019 de voorzieningenrechter al haar vraagtekens had gezet bij de proportionaliteit en een deel van de fracties de zorgen rondom rechtmatigheid destijds al met de gemeente hebben gedeeld. De gang van zaken rond de sluiting/intrekking en de daarop volgende procedures in bezwaar, beroep en klachten zijn door de fracties nauwlettend gevolgd en hebben geleid tot bedenkingen en de volgende vragen.

1. Waarom heeft de gemeente in dit specifieke geval gekozen voor zeer ingrijpende maatregelen, te weten het sluiten van het pand voor een jaar, het per direct intrekken van de exploitatievergunning en de betrokkenen uitsluiten voor een nieuwe horecavergunning in verband met slecht levensgedrag, terwijl er geen sprake was van overlastmeldingen, ongeregeldheden of gewelddadigheden tijdens of rondom de bingoavonden?

De exploitant heeft op de dag van de inval de factuur overhandigd aan de gemeente waaruit blijkt dat hij het bingo-apparaat heeft gehuurd. Ook heeft hij tijdens zittingen openheid van zaken gegeven over het feit dat hij ook in het verleden tijdens weekenden in de Ramadan bingo speelde, zonder dat de gemeente hier enig bewijs voor had. Verder had hij een prijzenlijst samengesteld voor de bingo met onder andere prijzen als een gratis kappersbeurt of een APK-keuring.

2. Hoe heeft de gemeente bovengenoemde informatie meegewogen bij het besluit tot het sluiten van het pand, het intrekken van de exploitatievergunning en het uitsluiten van betrokkenen voor een toekomstige horecavergunning, mede in het kader van het proportionaliteitsbeginsel? Hoe kijkt het college nu naar de proportionaliteit van de genomen maatregelen?

De exploitant heeft aangegeven niet te hebben geweten dat het spelen van bingo voor prijzen valt onder illegaal gokken. De gemeente betwijfelt dit, omdat er mensen op de uitkijk stonden. De exploitant gaf aan dat dit was om overlast te voorkomen, juist omdat tijdens Ramadan overlast rondom koffiehuizen en andere horeca in de nachtelijke uren wel eens kan toenemen. De gemeente heeft bovendien aangegeven dat er beelden zouden zijn waaruit zou blijken dat er om geldbedragen wordt gespeeld, maar deze zijn nooit vertoond, ook niet aan de advocaat of de rechter.

3. Waarom is de gemeente over vermeende misstanden niet eerst in gesprek gegaan met de exploitant of heeft zij niet volstaan met een waarschuwing? En vindt het college dat de motivering het besluit kan dragen op het moment dat cruciale gegevens niet met betrokkenen of hun advocaat worden gedeeld?

4. In het AD verklaart de gemeente beelden te hebben waaruit blijkt dat er met
geldbedragen werd gespeeld. Waarom zijn deze beelden niet (in vertrouwen) voorgedragen aan de rechter? Bij het besluit tot intrekking van de vergunning en sluiting van het pand heeft de gemeente als belangrijke overweging aangegeven dat het pand in 2016 voorkwam in een strafrechtelijk onderzoek waarin verdachten uit dat onderzoek het koffiehuis maandelijks bezochten. Dit was echter voordat de door het besluit getroffen familie de zaak overnam.

5. Heeft de gemeente in de periode tussen het genoemde onderzoek in 2016 en het moment waarop de betreffende familie eigenaar werd, naar aanleiding van dat strafrechtelijk onderzoek handhavend opgetreden tegen het koffiehuis en de toenmalige eigenaren of exploitanten?

6. Is het gebruikelijk dat de geschiedenis van een pand aan de nieuwe eigenaren wordt tegengeworpen, ook wanneer deze geen zakelijke relatie hadden met het pand en/of de vorige eigenaren? Zo ja, kan de burgemeester toelichten waarom dit gebeurt? Zo nee, wat is er dan in dit geval misgegaan?

Op 2 januari 2021 is bij de burgemeester een klacht ingediend over het handelen van drie in deze zaak betrokken ambtenaren. De klacht hield in dat sprake was van vooringenomenheid én dat de ambtenaar tijdens de zitting van Raad van State 23 december 2020 in strijd met de waarheid had verklaard dat de boekhouding niet door de exploitant was ingeleverd. De klacht werd op 16 september 2021 ongegrond verklaard. In de klachtafhandelingsbrief staat "De administratie is ingeleverd, dat staat niet ter discussie" en "Verweerder benadrukt nogmaals dat hij tijdens de zitting bij de Raad van State niet heeft aangegeven dat de gevorderde gegevens niet zijn overgelegd door uw cliënt". Uit de zittingsaantekeningen van de Raad van State blijkt dat de verweerder wel degelijk ter zitting, verklaard heeft dat de exploitant de gevorderde administratie niet had ingeleverd. Dit soort verschil in verklaringen en feiten
ondermijnt naar het oordeel van agenderende partijen het vertrouwen in de overheid.

7. Waarom heeft de klachtafhandeling zo lang (ruim 9 maanden) geduurd? Hoe vaak gebeurt het dat klachten zo lang blijven liggen en is hierin verschil tussen diverse afdelingen bij de gemeente? Is in de afhandeling van klachten in het algemeen voldoende gewaarborgd dat de slager niet zijn eigen vlees keurt in die zin dat collega’s van dezelfde afdelingen niet klachten over elkaar beoordelen?

8. Ook de beslissing op bezwaar is genomen ver na de wettelijke termijnen die de AWB voorschrijft. Waardoor komt dit, hoe vaak gebeurt dit en is er daarbij onderscheid tussen afdelingen van de gemeente en/of onderwerpen waarop het bezwaar betrekking heeft?

Op 23 december 2020 verklaarde de gemeente, tijdens de zitting van de Raad van State, dat de exploitant de gevorderde boekhouding gedurende de procedure niet had overgelegd. Daarbij vroeg de gemeente zich volgens de zittingsaantekeningen af waarom de exploitant dat niet gedaan had, terwijl het volgens de gemeente een "verzachtende omstandigheid" zou zijn.

9. Waarom heeft de gemeente ook in latere stadia, zoals bij het definitief besluit tot sluiting/intrekking (juni 2019), het besluit op bezwaar (jan 2020), beroep bij de Rechtbank (2020) en hoger beroep bij de Raad van State (2021) de boekhouding niet meegenomen als “verzachtende omstandigheid” en aan het rechtbankdossier gevoegd, terwijl de gemeente hier wel van in bezit was?

Op 25 mei 2020 besloot de gemeente, hoewel daarvan een melding was binnengekomen, om niet handhavend op te treden tegen een achttal horeca exploitanten in Utrecht die zich ook (en zonder vergunning) met bingo spelen hadden ingelaten[zie voetnoot 2]. Hierdoor heeft de exploitant van Koffiehuis Transwijk het gevoel van ongelijke behandeling.

10. Hoe beoordeelt het college dit verschil en/of dit gevoel van ongelijke behandeling, ook tegen het licht van landelijke discussies rondom de toeslagenaffaire?

11. Indien de gemeente vindt dat destijds terecht een verschil is gemaakt tussen het bingo spelen in het koffiehuis en het bingo spelen in die acht andere horecazaken, kan de gemeente dan per geval aangeven waarom dit het geval was?

Op 23 maart 2020 oordeelde de rechtbank dat de gemeente Utrecht ten onrechte had besloten dat het pand, een jaar lang niet gebruikt mocht worden voor horeca. Het gevolg van de uitspraak van de rechtbank is dat het pand tussen de datum van sluiting d.d. 13 juni 2019 en de uitspraak van de rechtbank d.d. 23 maart 2020 ten onrechte niet gebruikt kon worden voor horecadoeleinden, ook niet als de exploitatie zou geschieden door een ander dan de exploitant (die immers geacht werd van slecht levensgedrag te zijn). De exploitant heeft daarop vergoeding van schade gevraagd (hij heeft al die tijd wel huur en energie betaald). Op 2 november 2020 werd zijn verzoek om schadevergoeding geweigerd. Nu zijn we anderhalf jaar verder en ligt er naast het besluit van de Rechtbank inzake de sluiting van het pand ook een
besluit van de Raad van State over de intrekking van de vergunning en het slecht levensgedrag waarbij de exploitant wederom in het gelijk is gesteld.

12. Is de gemeente al in gesprek met de getroffen familie over schadevergoeding en zo niet, is het college (gezien de uitspraak van de Raad van State) bereid op korte termijn hierover in gesprek te gaan, zodat niet opnieuw een kostbare en tijdrovende juridische procedure hoeft te worden gevoerd?

13. Hoe reflecteert de gemeente op deze casus? Welke lessen trekt de gemeente hieruit?

14. De Raad van State vindt in dit geval de onderbouwing van ‘slecht levensgedrag’ niet voldoende. In februari 2020 is een APV-wijziging vastgesteld, waarbij het amendement ‘Duidelijkheid over beoordeling levensgedrag’ werd aangenomen. Welke concrete en ondubbelzinnige gedragingen en feiten verstaat de gemeente wanneer het gaat om ‘slecht levensgedrag’ in de horeca? En hoever kijkt de gemeente terug in tijd wanneer het levensgedrag van een aanvrager voor de horeca wordt beoordeeld?

15. Is de burgemeester bereid om met deze uitspraak het handhavingsbeleid en de sluitingstermijnen te herzien en anders vorm te geven, bijvoorbeeld met waarschuwingen, boetes, kortere sluitingstermijnen die bij herhaling (of bij zeer ernstige overtredingen) kunnen leiden tot langere sluitingstermijnen?

16. Zijn er meer gevallen bekend waarbij op vergelijkbare gronden een sluiting is opgelegd en/of een persoon is uitgesloten van het verkrijgen van een vergunning? Is daarin altijd de termijn van een jaar gehanteerd of ook kortere termijnen en zo ja, op welke grond is dit verschil gemaakt?

17. Hoe schat de burgemeester gezien de uitspraak van de Raad van State de juridische houdbaarheid van vergelijkbare sluitingen? Volgt hieruit actie?

Mahmut Sungur, DENK
Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Peter van Corler, GroenLinks
Cees Bos, Stadsbelang
Hester Assen, PvdA
Dimitri Gilissen, VVD
Maarten Koning, D66
Jeffrey Koppelaar, S&S
Ruurt Wiegant, SP
Bert van Steeg, CDA