Schrif­te­lijke vragen Sluiting koffiehuis, intrekking vergunning en uitsluiting vanwege BINGO


Indiendatum: 1 dec. 2021

Schriftelijke vragen 285/2021

Op 25 november 2021 verscheen in het AD het bericht over het Turks koffiehuis dat in 2019 voorgoed dicht moest, omdat ze tijdens de Ramadan bingo speelden. Dat werd door de gemeente gezien als illegaal gokken waarbij de vergunning van het familiebedrijf werd ingetrokken, de betrokkenen werden uitgesloten voor het aanvragen van een toekomstige horecavergunning in verband met slecht levensgedrag en het pand een jaar lang moest sluiten om een gevaar voor de openbare orde en veiligheid van de buurt te voorkomen. Onlangs besloot de Raad van State dat de intrekking van de vergunning door de gemeente niet juist is geweest en heeft de beslissing op bezwaar (d.d. 24-1-2020) die betrekking had op de sluiting van het koffiehuis Transwijk en intrekking van de horecavergunning vernietigd. Zie voor de uitspraak: ECLI:NL:RVS:2021:2445

De Raad van State overwoog dat niet aannemelijk is gemaakt dat er veel geld omging bij de bingo en dat andere prijzen konden worden gewonnen dan prijzen met kleine geldwaarde. Aansluitend overwoog de Raad van State dat de gemeente niet aannemelijk had gemaakt dat het van kracht blijven van de horecavergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid of voor de woon- en leefsituatie.

Voor de fracties van DENK, Partij voor de Dieren, GroenLinks, Stadsbelang, PvdA, VVD, D66, Student&Starter en SP komt de uitspraak niet als een verrassing, omdat in 2019 de voorzieningenrechter al haar vraagtekens had gezet bij de proportionaliteit en een deel van de fracties de zorgen rondom rechtmatigheid destijds al met de gemeente hebben gedeeld. De gang van zaken rond de sluiting/intrekking en de daarop volgende procedures in bezwaar, beroep en klachten zijn door de fracties nauwlettend gevolgd en hebben geleid tot bedenkingen en de volgende vragen.

1. Waarom heeft de gemeente in dit specifieke geval gekozen voor zeer ingrijpende maatregelen, te weten het sluiten van het pand voor een jaar, het per direct intrekken van de exploitatievergunning en de betrokkenen uitsluiten voor een nieuwe horecavergunning in verband met slecht levensgedrag, terwijl er geen sprake was van overlastmeldingen, ongeregeldheden of gewelddadigheden tijdens of rondom de bingoavonden?

De exploitant heeft op de dag van de inval de factuur overhandigd aan de gemeente waaruit blijkt dat hij het bingo-apparaat heeft gehuurd. Ook heeft hij tijdens zittingen openheid van zaken gegeven over het feit dat hij ook in het verleden tijdens weekenden in de Ramadan bingo speelde, zonder dat de gemeente hier enig bewijs voor had. Verder had hij een prijzenlijst samengesteld voor de bingo met onder andere prijzen als een gratis kappersbeurt of een APK-keuring.

2. Hoe heeft de gemeente bovengenoemde informatie meegewogen bij het besluit tot het sluiten van het pand, het intrekken van de exploitatievergunning en het uitsluiten van betrokkenen voor een toekomstige horecavergunning, mede in het kader van het proportionaliteitsbeginsel? Hoe kijkt het college nu naar de proportionaliteit van de genomen maatregelen?

De exploitant heeft aangegeven niet te hebben geweten dat het spelen van bingo voor prijzen valt onder illegaal gokken. De gemeente betwijfelt dit, omdat er mensen op de uitkijk stonden. De exploitant gaf aan dat dit was om overlast te voorkomen, juist omdat tijdens Ramadan overlast rondom koffiehuizen en andere horeca in de nachtelijke uren wel eens kan toenemen. De gemeente heeft bovendien aangegeven dat er beelden zouden zijn waaruit zou blijken dat er om geldbedragen wordt gespeeld, maar deze zijn nooit vertoond, ook niet aan de advocaat of de rechter.

3. Waarom is de gemeente over vermeende misstanden niet eerst in gesprek gegaan met de exploitant of heeft zij niet volstaan met een waarschuwing? En vindt het college dat de motivering het besluit kan dragen op het moment dat cruciale gegevens niet met betrokkenen of hun advocaat worden gedeeld?

4. In het AD verklaart de gemeente beelden te hebben waaruit blijkt dat er met
geldbedragen werd gespeeld. Waarom zijn deze beelden niet (in vertrouwen) voorgedragen aan de rechter? Bij het besluit tot intrekking van de vergunning en sluiting van het pand heeft de gemeente als belangrijke overweging aangegeven dat het pand in 2016 voorkwam in een strafrechtelijk onderzoek waarin verdachten uit dat onderzoek het koffiehuis maandelijks bezochten. Dit was echter voordat de door het besluit getroffen familie de zaak overnam.

5. Heeft de gemeente in de periode tussen het genoemde onderzoek in 2016 en het moment waarop de betreffende familie eigenaar werd, naar aanleiding van dat strafrechtelijk onderzoek handhavend opgetreden tegen het koffiehuis en de toenmalige eigenaren of exploitanten?

6. Is het gebruikelijk dat de geschiedenis van een pand aan de nieuwe eigenaren wordt tegengeworpen, ook wanneer deze geen zakelijke relatie hadden met het pand en/of de vorige eigenaren? Zo ja, kan de burgemeester toelichten waarom dit gebeurt? Zo nee, wat is er dan in dit geval misgegaan?

Op 2 januari 2021 is bij de burgemeester een klacht ingediend over het handelen van drie in deze zaak betrokken ambtenaren. De klacht hield in dat sprake was van vooringenomenheid én dat de ambtenaar tijdens de zitting van Raad van State 23 december 2020 in strijd met de waarheid had verklaard dat de boekhouding niet door de exploitant was ingeleverd. De klacht werd op 16 september 2021 ongegrond verklaard. In de klachtafhandelingsbrief staat "De administratie is ingeleverd, dat staat niet ter discussie" en "Verweerder benadrukt nogmaals dat hij tijdens de zitting bij de Raad van State niet heeft aangegeven dat de gevorderde gegevens niet zijn overgelegd door uw cliënt". Uit de zittingsaantekeningen van de Raad van State blijkt dat de verweerder wel degelijk ter zitting, verklaard heeft dat de exploitant de gevorderde administratie niet had ingeleverd. Dit soort verschil in verklaringen en feiten
ondermijnt naar het oordeel van agenderende partijen het vertrouwen in de overheid.

7. Waarom heeft de klachtafhandeling zo lang (ruim 9 maanden) geduurd? Hoe vaak gebeurt het dat klachten zo lang blijven liggen en is hierin verschil tussen diverse afdelingen bij de gemeente? Is in de afhandeling van klachten in het algemeen voldoende gewaarborgd dat de slager niet zijn eigen vlees keurt in die zin dat collega’s van dezelfde afdelingen niet klachten over elkaar beoordelen?

8. Ook de beslissing op bezwaar is genomen ver na de wettelijke termijnen die de AWB voorschrijft. Waardoor komt dit, hoe vaak gebeurt dit en is er daarbij onderscheid tussen afdelingen van de gemeente en/of onderwerpen waarop het bezwaar betrekking heeft?

Op 23 december 2020 verklaarde de gemeente, tijdens de zitting van de Raad van State, dat de exploitant de gevorderde boekhouding gedurende de procedure niet had overgelegd. Daarbij vroeg de gemeente zich volgens de zittingsaantekeningen af waarom de exploitant dat niet gedaan had, terwijl het volgens de gemeente een "verzachtende omstandigheid" zou zijn.

9. Waarom heeft de gemeente ook in latere stadia, zoals bij het definitief besluit tot sluiting/intrekking (juni 2019), het besluit op bezwaar (jan 2020), beroep bij de Rechtbank (2020) en hoger beroep bij de Raad van State (2021) de boekhouding niet meegenomen als “verzachtende omstandigheid” en aan het rechtbankdossier gevoegd, terwijl de gemeente hier wel van in bezit was?

Op 25 mei 2020 besloot de gemeente, hoewel daarvan een melding was binnengekomen, om niet handhavend op te treden tegen een achttal horeca exploitanten in Utrecht die zich ook (en zonder vergunning) met bingo spelen hadden ingelaten[zie voetnoot 2]. Hierdoor heeft de exploitant van Koffiehuis Transwijk het gevoel van ongelijke behandeling.

10. Hoe beoordeelt het college dit verschil en/of dit gevoel van ongelijke behandeling, ook tegen het licht van landelijke discussies rondom de toeslagenaffaire?

11. Indien de gemeente vindt dat destijds terecht een verschil is gemaakt tussen het bingo spelen in het koffiehuis en het bingo spelen in die acht andere horecazaken, kan de gemeente dan per geval aangeven waarom dit het geval was?

Op 23 maart 2020 oordeelde de rechtbank dat de gemeente Utrecht ten onrechte had besloten dat het pand, een jaar lang niet gebruikt mocht worden voor horeca. Het gevolg van de uitspraak van de rechtbank is dat het pand tussen de datum van sluiting d.d. 13 juni 2019 en de uitspraak van de rechtbank d.d. 23 maart 2020 ten onrechte niet gebruikt kon worden voor horecadoeleinden, ook niet als de exploitatie zou geschieden door een ander dan de exploitant (die immers geacht werd van slecht levensgedrag te zijn). De exploitant heeft daarop vergoeding van schade gevraagd (hij heeft al die tijd wel huur en energie betaald). Op 2 november 2020 werd zijn verzoek om schadevergoeding geweigerd. Nu zijn we anderhalf jaar verder en ligt er naast het besluit van de Rechtbank inzake de sluiting van het pand ook een
besluit van de Raad van State over de intrekking van de vergunning en het slecht levensgedrag waarbij de exploitant wederom in het gelijk is gesteld.

12. Is de gemeente al in gesprek met de getroffen familie over schadevergoeding en zo niet, is het college (gezien de uitspraak van de Raad van State) bereid op korte termijn hierover in gesprek te gaan, zodat niet opnieuw een kostbare en tijdrovende juridische procedure hoeft te worden gevoerd?

13. Hoe reflecteert de gemeente op deze casus? Welke lessen trekt de gemeente hieruit?

14. De Raad van State vindt in dit geval de onderbouwing van ‘slecht levensgedrag’ niet voldoende. In februari 2020 is een APV-wijziging vastgesteld, waarbij het amendement ‘Duidelijkheid over beoordeling levensgedrag’ werd aangenomen. Welke concrete en ondubbelzinnige gedragingen en feiten verstaat de gemeente wanneer het gaat om ‘slecht levensgedrag’ in de horeca? En hoever kijkt de gemeente terug in tijd wanneer het levensgedrag van een aanvrager voor de horeca wordt beoordeeld?

15. Is de burgemeester bereid om met deze uitspraak het handhavingsbeleid en de sluitingstermijnen te herzien en anders vorm te geven, bijvoorbeeld met waarschuwingen, boetes, kortere sluitingstermijnen die bij herhaling (of bij zeer ernstige overtredingen) kunnen leiden tot langere sluitingstermijnen?

16. Zijn er meer gevallen bekend waarbij op vergelijkbare gronden een sluiting is opgelegd en/of een persoon is uitgesloten van het verkrijgen van een vergunning? Is daarin altijd de termijn van een jaar gehanteerd of ook kortere termijnen en zo ja, op welke grond is dit verschil gemaakt?

17. Hoe schat de burgemeester gezien de uitspraak van de Raad van State de juridische houdbaarheid van vergelijkbare sluitingen? Volgt hieruit actie?

Mahmut Sungur, DENK
Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Peter van Corler, GroenLinks
Cees Bos, Stadsbelang
Hester Assen, PvdA
Dimitri Gilissen, VVD
Maarten Koning, D66
Jeffrey Koppelaar, S&S
Ruurt Wiegant, SP
Bert van Steeg, CDA

Indiendatum: 1 dec. 2021
Antwoorddatum: 21 jan. 2022

Schriftelijke vragen 285/2021

Op 25 november 2021 verscheen in het AD het bericht over het Turks koffiehuis dat in 2019 voorgoed dicht moest, omdat ze tijdens de Ramadan bingo speelden. Dat werd door de gemeente gezien als illegaal gokken waarbij de vergunning van het familiebedrijf werd ingetrokken, de betrokkenen werden uitgesloten voor het aanvragen van een toekomstige horecavergunning in verband met slecht levensgedrag en het pand een jaar lang moest sluiten om een gevaar voor de openbare orde en veiligheid van de buurt te voorkomen. Onlangs besloot de Raad van State dat de intrekking van de vergunning door de gemeente niet juist is geweest en heeft de beslissing op bezwaar (d.d. 24-1-2020) die betrekking had op de sluiting van het koffiehuis Transwijk en intrekking van de horecavergunning vernietigd. Zie voor de uitspraak: ECLI:NL:RVS:2021:2445

De Raad van State overwoog dat niet aannemelijk is gemaakt dat er veel geld omging bij de bingo en dat andere prijzen konden worden gewonnen dan prijzen met kleine geldwaarde. Aansluitend overwoog de Raad van State dat de gemeente niet aannemelijk had gemaakt dat het van kracht blijven van de horecavergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid of voor de woon- en leefsituatie.

Voor de fracties van DENK, Partij voor de Dieren, GroenLinks, Stadsbelang, PvdA, VVD, D66, Student&Starter en SP komt de uitspraak niet als een verrassing, omdat in 2019 de voorzieningenrechter al haar vraagtekens had gezet bij de proportionaliteit en een deel van de fracties de zorgen rondom rechtmatigheid destijds al met de gemeente hebben gedeeld. De gang van zaken rond de sluiting/intrekking en de daarop volgende procedures in bezwaar, beroep en klachten zijn door de fracties nauwlettend gevolgd en hebben geleid tot bedenkingen en de volgende vragen.

1. Waarom heeft de gemeente in dit specifieke geval gekozen voor zeer ingrijpende maatregelen, te weten het sluiten van het pand voor een jaar, het per direct intrekken van de exploitatievergunning en de betrokkenen uitsluiten voor een nieuwe horecavergunning in verband met slecht levensgedrag, terwijl er geen sprake was van overlastmeldingen, ongeregeldheden of gewelddadigheden tijdens of rondom de bingoavonden?

➢ Het pand is niet gesloten voor een jaar. Op basis van de Horecaverordening is besloten, dat op deze locatie gedurende een jaar geen nieuwe horecavergunning zou worden verleend. Illegaal gokken is een gevaar voor de openbare orde. Met deze termijn van een jaar, wordt beoogd het woon- en leefklimaat te herstellen.
➢ Het intrekken van de exploitatievergunning volgt uit de Horecaverordening. In lijn met landelijke wetgeving is daarin geregeld, dat deze vergunning moet worden ingetrokken bij een gevaar voor de openbare orde.
➢ In het Alcoholbesluit staat dat een ondernemer gedurende vijf jaren van slecht levensgedrag is als zijn vergunning wordt ingetrokken. De ondernemer kan in die periode geen nieuwe horecavergunning verkrijgen

De exploitant heeft op de dag van de inval de factuur overhandigd aan de gemeente waaruit blijkt dat hij het bingo-apparaat heeft gehuurd. Ook heeft hij tijdens zittingen openheid van zaken gegeven over het feit dat hij ook in het verleden tijdens weekenden in de Ramadan bingo speelde, zonder dat de gemeente hier enig bewijs voor had. Verder had hij een prijzenlijst samengesteld voor de bingo met onder andere prijzen als een gratis kappersbeurt of een APK-keuring.

2. Hoe heeft de gemeente bovengenoemde informatie meegewogen bij het besluit tot het sluiten van het pand, het intrekken van de exploitatievergunning en het uitsluiten van betrokkenen voor een toekomstige horecavergunning, mede in het kader van het proportionaliteitsbeginsel? Hoe kijkt het college nu naar de proportionaliteit van de genomen maatregelen?

De feiten die hier geschetst worden zijn niet de feiten, zoals die op de avond van de controle zijn vastgesteld. Wij herkennen ons niet in de openheid van de ondernemer. In de antwoorden en de brief treft u daarvan enkele voorbeelden. Ook is er op onderdelen wisselende en strijdige informatie gegeven. Het huren van een bingo apparaat maakt overigens geen verschil voor de beoordeling of sprake is van illegaal gokken. Er zijn ontwikkelingen rond de proportionaliteit (evenredigheid) van maatregelen door de overheid. Toen het besluit over het Koffiehuis werd genomen, was dit geheel in lijn met jurisprudentie over illegaal gokken. De Voorzieningenrechter en de Rechtbank hebben dit bevestigd in hun uitspraken in Voorlopige Voorziening en in beroep. De Raad van State heeft bevestigd dat er sprake is geweest van illegaal gokken. Er is volgens de Raad van State onvoldoende gemotiveerd dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde.


De exploitant heeft aangegeven niet te hebben geweten dat het spelen van bingo voor prijzen valt onder illegaal gokken. De gemeente betwijfelt dit, omdat er mensen op de uitkijk stonden. De exploitant gaf aan dat dit was om overlast te voorkomen, juist omdat tijdens Ramadan overlast rondom koffiehuizen en andere horeca in de nachtelijke uren wel eens kan toenemen. De gemeente heeft bovendien aangegeven dat er beelden zouden zijn waaruit zou blijken dat er om geldbedragen wordt gespeeld, maar deze zijn nooit vertoond, ook niet aan de advocaat of de rechter.

3. Waarom is de gemeente over vermeende misstanden niet eerst in gesprek gegaan met de exploitant of heeft zij niet volstaan met een waarschuwing? En vindt het college dat de motivering het besluit kan dragen op het moment dat cruciale gegevens niet met betrokkenen of hun advocaat worden gedeeld?

Illegaal gokken is een gevaar voor de openbare orde, waarvoor de omgeving moet worden beschermd. De wetgeving (Alcoholwet, Horecaverordening) laat geen ruimte voor een ander besluit dan intrekken van een vergunning. Dat laat onverlet het belang om in contact te zijn met een ondernemer, ook bij handhavingszaken. Het besluit tot intrekking van een vergunning wordt (en is in dit geval) niet zonder meer opgelegd. Daarbij zijn in ieder geval vanuit de gemeente de volgende contacten met een ondernemer:
1. Voornemen tot intrekking, waarbij ondernemer een zienswijze mag indienen. In dit geval heeft ondernemer daar gebruik van gemaakt;
2. Een hoorzitting na ingediend bezwaar. Hier heeft ondernemer gebruik van gemaakt.
De Algemene wet bestuursrecht heeft procedures voor het geheim houden van stukken. In deze procedure zijn overigens geen stukken geheimgehouden of gegevens niet gedeeld. Alle stukken die door de gemeente in de procedure zijn betrokken zijn met betrokkenen of hun advocaat gedeeld.


4. In het AD verklaart de gemeente beelden te hebben waaruit blijkt dat er met
geldbedragen werd gespeeld. Waarom zijn deze beelden niet (in vertrouwen) voorgedragen aan de rechter? Bij het besluit tot intrekking van de vergunning en sluiting van het pand heeft de gemeente als belangrijke overweging aangegeven dat het pand in 2016 voorkwam in een strafrechtelijk onderzoek waarin verdachten uit dat onderzoek het koffiehuis maandelijks bezochten. Dit was echter voordat de door het besluit getroffen familie de zaak overnam.

Het is vaste jurisprudentie dat een bestuursorgaan bij besluitvorming een door toezichthouders opgesteld proces-verbaal mag gebruiken. In dit geval, om de privacy van de melder te beschermen, is ervoor gekozen om van wat er te zien was op de beelden een proces-verbaal op te maken. Ook de Raad van State oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan (het bestaan van) de beelden en wat daarop te zien was. Er is daarmee geen reden geweest om deze beelden te delen. Overigens zal nu opnieuw worden beoordeeld of het delen van de beelden, onder geheimhouding, zal bijdragen aan de procedure.


5. Heeft de gemeente in de periode tussen het genoemde onderzoek in 2016 en het moment waarop de betreffende familie eigenaar werd, naar aanleiding van dat strafrechtelijk onderzoek handhavend opgetreden tegen het koffiehuis en de toenmalige eigenaren of exploitanten?

Nee.


6. Is het gebruikelijk dat de geschiedenis van een pand aan de nieuwe eigenaren wordt tegengeworpen, ook wanneer deze geen zakelijke relatie hadden met het pand en/of de vorige eigenaren? Zo ja, kan de burgemeester toelichten waarom dit gebeurt? Zo nee, wat is er dan in dit geval misgegaan?

Uiteraard wordt bij de beoordeling van een aanvraag altijd gekeken naar de voorgeschiedenis van een pand. Dit kan bijvoorbeeld een rol spelen als het gaat om langer bestaande overlast als gevolg waarvan sluitingstijden gelden of worden opgelegd. Maar ook een onderzoek op grond van de Wet Bibob maakt dat naar de overdracht van het bedrijf wordt gekeken. In dit geval, om te komen tot het besluit om een jaar lang geen vergunning te verlenen voor deze locatie (dus niet of de vergunning moest worden ingetrokken), is gekeken naar de voorgeschiedenis. Op dat moment is gemeend, dat de omgeving tot rust moest komen vanwege al langer bestaande signalen rond illegaal gokken. Overigens is in bezwaar al aangegeven dat een nieuwe ondernemer binnen dit jaar al een vergunning kon aanvragen. Als de toets hiervan binnen een jaar zou zijn afgerond kon de toenmalige burgemeester altijd besluiten om toch eerder dan de in het besluit genoemde jaar de vergunning te verlenen.


Op 2 januari 2021 is bij de burgemeester een klacht ingediend over het handelen van drie in deze zaak betrokken ambtenaren. De klacht hield in dat sprake was van vooringenomenheid én dat de ambtenaar tijdens de zitting van Raad van State 23 december 2020 in strijd met de waarheid had verklaard dat de boekhouding niet door de exploitant was ingeleverd. De klacht werd op 16 september 2021 ongegrond verklaard. In de klachtafhandelingsbrief staat "De administratie is ingeleverd, dat staat niet ter discussie" en "Verweerder benadrukt nogmaals dat hij tijdens de zitting bij de Raad van State niet heeft aangegeven dat de gevorderde gegevens niet zijn overgelegd door uw cliënt". Uit de zittingsaantekeningen van de Raad van State blijkt dat de verweerder wel degelijk ter zitting, verklaard heeft dat de exploitant de gevorderde administratie niet had ingeleverd. Dit soort verschil in verklaringen en feiten
ondermijnt naar het oordeel van agenderende partijen het vertrouwen in de overheid.

7. Waarom heeft de klachtafhandeling zo lang (ruim 9 maanden) geduurd? Hoe vaak gebeurt het dat klachten zo lang blijven liggen en is hierin verschil tussen diverse afdelingen bij de gemeente? Is in de afhandeling van klachten in het algemeen voldoende gewaarborgd dat de slager niet zijn eigen vlees keurt in die zin dat collega’s van dezelfde afdelingen niet klachten over elkaar beoordelen?

Als eerste merken we op dat er geen verschil is tussen verklaringen en feiten in deze. De administratie was geen onderdeel van de procedure, omdat deze niet was gebruikt ter onderbouwing van het besluit. Als de ondernemer vindt dat uit de administratie blijkt dat één en ander anders ligt dan had juist de ondernemer dit moeten inbrengen bij de rechter ter onderbouwing van zijn argumenten. Dit is
in lijn met de toelichting die in het hoor-gesprek door de vertegenwoordiger van de gemeente is gegeven op de klacht en in lijn met het proces-verbaal van de zitting bij de Raad van State. De klachtbehandeling is te laat gestart. In eerste instantie was niet duidelijk of de klacht inhoudelijk behandeld kon worden. Dit vanwege de samenloop met de (hoger) beroepsprocedure en de inhoud van de klacht: die beschreef een gedraging die in de beroepsprocedure ook voor lag. In april startte de hoor-fase (hoor en wederhoor). Deze fase duurde tot het zomerreces. Na het zomerreces is de klacht inhoudelijk beoordeeld. Dit alles had voortvarender gekund. Verder zullen wij klagers beter op de hoogte houden van de voortgang van de klachtbehandeling. Het gaat in totaal om 118 klachten. De gemiddelde behandelingsduur van deze klachten ligt op ongeveer 3 maanden. Naast deze klacht is het nog drie keer voorgekomen, dat een klacht een lange doorlooptijd had. In deze gevallen was de doorlooptijd 6 maanden. Het gaat dan om omvangrijke en ingewikkelde kwesties, met hoor en wederhoor en nauwgezet onderzoek naar de feiten. De klagers zijn in de meeste gevallen van de voortgang op de hoogte gehouden. Vanuit ons is excuses aangeboden voor de lange behandelduur. In de jaarlijkse klachtenrapportage informeren wij uw raad over de gemeentelijke klachtbehandeling en worden ook de behandeltermijnen benoemd. Wij werken met onafhankelijk, objectieve en opgeleide klachtbehandelaars. Dit brengt met zich mee dat het niet uitmaakt waar de klacht binnenkomt en over wie die gaat.

8. Ook de beslissing op bezwaar is genomen ver na de wettelijke termijnen die de AWB voorschrijft. Waardoor komt dit, hoe vaak gebeurt dit en is er daarbij onderscheid tussen afdelingen van de gemeente en/of onderwerpen waarop het bezwaar betrekking heeft?

Tezamen met of direct na het indienen van het bezwaarschrift is door de exploitant eveneens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank. Met de behandeling van het bezwaarschrift is gewacht tot de voorzieningenrechter uitspraak had gedaan. Het is namelijk belangrijk om het oordeel van de (voorzieningen)rechter te betrekken bij een beslissing op bezwaar. Dit traject had tot gevolg, dat niet direct na de ontvangst van het bezwaarschrift is begonnen. Het vertrek van de medewerker die de bezwaarzaak in behandeling had en de overdracht van het dossier naar een andere medewerker heeft ook helaas voor een vertraging gezorgd. In zijn algemeenheid wordt uiteraard geprobeerd om een beslissing op bezwaar af te ronden binnen de wettelijke beslistermijn, maar het kan voorkomen dat die termijn om verschillende redenen niet wordt gehaald. Daar wordt dan in de regel over gecommuniceerd met een bezwaarmaker. Er is verder geen relatie te leggen tussen het halen van een beslistermijn en een bepaalde afdeling van de gemeente en/of het onderwerp van een kwestie.


Op 23 december 2020 verklaarde de gemeente, tijdens de zitting van de Raad van State, dat de exploitant de gevorderde boekhouding gedurende de procedure niet had overgelegd. Daarbij vroeg de gemeente zich volgens de zittingsaantekeningen af waarom de exploitant dat niet gedaan had, terwijl het volgens de gemeente een "verzachtende omstandigheid" zou zijn.

9. Waarom heeft de gemeente ook in latere stadia, zoals bij het definitief besluit tot sluiting/intrekking (juni 2019), het besluit op bezwaar (jan 2020), beroep bij de Rechtbank (2020) en hoger beroep bij de Raad van State (2021) de boekhouding niet meegenomen als “verzachtende omstandigheid” en aan het rechtbankdossier gevoegd, terwijl de gemeente hier wel van in bezit was?

In de zittingsaantekeningen staat niet dat de gemeente heeft aangegeven dat de boekhouding een verzachtende omstandigheid zou zijn. Er staat dat als de exploitant van mening is dat het een verzachtende omstandigheid zou zijn, het hem (of zijn a
dvocaat) vrijstaat om de boekhouding in procedure te brengen. Op het moment van besluitvorming en daarna in de procedure speelde de boekhouding geen rol, juist ook omdat verschillende rechters de gemeente steunden in de besluitvorming over de intrekking. De eerste advocaat, en ook de latere vertegenwoordiger, hebben dit niet als stuk naar voren gebracht. Er is naderhand ook geen reden geweest om de boekhouding te betrekken bij de (latere) besluitvorming.

Op 25 mei 2020 besloot de gemeente, hoewel daarvan een melding was binnengekomen, om niet handhavend op te treden tegen een achttal horeca exploitanten in Utrecht die zich ook (en zonder vergunning) met bingo spelen hadden ingelaten[zie voetnoot 2]. Hierdoor heeft de exploitant van Koffiehuis Transwijk het gevoel van ongelijke behandeling.

10. Hoe beoordeelt het college dit verschil en/of dit gevoel van ongelijke behandeling, ook tegen het licht van landelijke discussies rondom de toeslagenaffaire?

Voor een reactie op de verschillen in de zaken wordt verwezen naar het antwoord op vraag 11. Deze verschillen maken dat niet gesproken kan worden van gelijke gevallen waarbij betrokkenen ongelijk zijn behandeld. De toeslagenaffaire is in essentie het gevolg van een zeer strikte regelgeving met niet te corrigeren, onevenredige gevolgen voor betrokkenen. Van zeer strikte regelgeving zoals in de toeslagenaffaire is in dit geval geen sprake. In het kader van vraag 10 en 11 speelt het beginsel van gelijke behandeling van gelijke gevallen (het gelijkheidsbeginsel). Van schending van dat beginsel is geen sprake, omdat niet gesproken kan worden van gelijke gevallen (zie ook het antwoord op vraag 11). Dat de exploitant dat gevoel wel heeft gekregen wordt betreurd.


11. Indien de gemeente vindt dat destijds terecht een verschil is gemaakt tussen het bingo spelen in het koffiehuis en het bingo spelen in die acht andere horecazaken, kan de gemeente dan per geval aangeven waarom dit het geval was?

Er is een verschil tussen de later aangedragen zaken en de bingo in dit geval. In de eerste plaats werden vergelijkbare gevallen aangedragen die al jaren daarvoor hadden plaatsgevonden, waar geen beelden van waren en waar geen constateringen van waren. Handhavend optreden was alleen om die reden niet meer mogelijk. Daarnaast zijn er meer inhoudelijke verschillen tussen de bingo’s waar op dit moment niet nader op in kan worden gegaan. Maar dat zit bijvoorbeeld in de wijze van organisatie. Het heeft overigens niets van doen met de locatie, een koffiehuis of ander horecabedrijf.


Op 23 maart 2020 oordeelde de rechtbank dat de gemeente Utrecht ten onrechte had besloten dat het pand, een jaar lang niet gebruikt mocht worden voor horeca. Het gevolg van de uitspraak van de rechtbank is dat het pand tussen de datum van sluiting d.d. 13 juni 2019 en de uitspraak van de rechtbank d.d. 23 maart 2020 ten onrechte niet gebruikt kon worden voor horecadoeleinden, ook niet als de exploitatie zou geschieden door een ander dan de exploitant (die immers geacht werd van slecht levensgedrag te zijn). De exploitant heeft daarop vergoeding van schade gevraagd (hij heeft al die tijd wel huur en energie betaald). Op 2 november 2020 werd zijn verzoek om schadevergoeding geweigerd. Nu zijn we anderhalf jaar verder en ligt er naast het besluit van de Rechtbank inzake de sluiting van het pand ook een
besluit van de Raad van State over de intrekking van de vergunning en het slecht levensgedrag waarbij de exploitant wederom in het gelijk is gesteld.

12. Is de gemeente al in gesprek met de getroffen familie over schadevergoeding en zo niet, is het college (gezien de uitspraak van de Raad van State) bereid op korte termijn hierover in gesprek te gaan, zodat niet opnieuw een kostbare en tijdrovende juridische procedure hoeft te worden gevoerd?

De gemeente is hier niet over in gesprek met de exploitant. Zowel de procedure over de inhoudelijke zaak als de procedure over het verzoek om schadevergoeding lopen op dit moment namelijk nog. De Raad van State heeft de mogelijkheid gegeven om over de inhoudelijke zaak een nadere motivering te geven. De procedure over het verzoek om schadevergoeding loopt ook nog bij de Raad van State. Indien na afronding van de procedure over de inhoudelijke zaak aanleiding ontstaat om over de schadevergoeding in gesprek te treden (bijvoorbeeld als het bezwaar gegrond wordt verklaard), dan zal de gemeente daartoe in contact treden met de exploitant. Ook de gemeente vindt dat kostbare en tijdrovende juridische procedures voorkomen moeten worden als die noodzaak er niet is.


13. Hoe reflecteert de gemeente op deze casus? Welke lessen trekt de gemeente hieruit?

Over het vraagstuk van de evenredigheid van een besluit van de overheid is in den lande discussie. Uit rechtspraak wordt ook duidelijk dat het evenredigheidsbeginsel in ‘ontwikkeling’ is en de wijze waarop van de overheid verwacht wordt om dit beginsel toe te passen, veranderd. Dit kan ook afgeleid worden uit de uitspraak die de Raad van State in onderhavig geval heeft gedaan. Wij zijn ons hiervan bewust en blijven aandacht hebben voor het motiveren en diepgaander onderbouwen van een besluit, waarbij het belang van een burger of ondernemers wordt geraakt.


14. De Raad van State vindt in dit geval de onderbouwing van ‘slecht levensgedrag’ niet voldoende. In februari 2020 is een APV-wijziging vastgesteld, waarbij het amendement ‘Duidelijkheid over beoordeling levensgedrag’ werd aangenomen. Welke concrete en ondubbelzinnige gedragingen en feiten verstaat de gemeente wanneer het gaat om ‘slecht levensgedrag’ in de horeca? En hoever kijkt de gemeente terug in tijd wanneer het levensgedrag van een aanvrager voor de horeca wordt beoordeeld?

Hoewel wij begrijpen dat ten behoeve van de duidelijkheid over de beoordeling van levensgedrag wordt gevraagd welke gedragingen zouden kunnen leiden tot de kwalificatie van ‘slecht levensgedrag’, is het antwoord daarop niet (makkelijk) te geven. In dat geval zou een limitatieve opsomming gemaakt moeten worden van gedragingen die leiden tot slecht levensgedrag. Dat is niet goed mogelijk. Bovendien worden gedragingen in samenhang met de feiten en omstandigheden beoordeeld. Die complexe beoordeling is niet te vervatten in een opsomming. De vaste rechtspraak van de Raad van State hierover is overigens dat er geen beperkingen zijn ten aanzien van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. In beginsel kijkt de gemeente vijf jaar terug bij de beoordeling van het levensgedrag.


15. Is de burgemeester bereid om met deze uitspraak het handhavingsbeleid en de sluitingstermijnen te herzien en anders vorm te geven, bijvoorbeeld met waarschuwingen, boetes, kortere sluitingstermijnen die bij herhaling (of bij zeer ernstige overtredingen) kunnen leiden tot langere sluitingstermijnen?

Er is in dit geval geen sprake geweest van een sluitingstermijn zoals bijvoorbeeld bij de Opiumwet. Er is altijd bereidheid om te kijken naar gevallen die onevenredig uitpakken. Dit is ook een wettelijke verplichting. Dat maakt echter niet dat er noodzaak is om het beleid te wijzigen. Daarbij komt, als er sprake is van een gevaar voor de openbare orde, dan schrijft de Alcoholwet voor dat de vergunning moet worden ingetrokken. Het zou vreemd zijn om dit anders te doen in de Horecaverordening nu dat ertoe zou kunnen leiden dat bedrijven met alcohol met andere maatregelen kunnen worden geconfronteerd dan bedrijven die geen alcohol schenken. Als de openbare orde in het geding is, dan zal de omgeving moeten worden beschermd. Dit kan niet worden afgedaan met een waarschuwing.

16. Zijn er meer gevallen bekend waarbij op vergelijkbare gronden een sluiting is opgelegd en/of een persoon is uitgesloten van het verkrijgen van een vergunning? Is daarin altijd de termijn van een jaar gehanteerd of ook kortere termijnen en zo ja, op welke grond is dit verschil gemaakt?

Zoals hierboven toegelicht, betreft het niet een sluiting van een jaar. Overigens wordt elke zaak op zijn eigen merites beoordeeld. Het niet verlenen van een vergunning voor een jaar voor een locatie, na intrekken van de oude vergunning, is mede afhankelijk van de ernst van de overtreding. De wetgever heeft al bepaald dat de termijn waarbij kan worden teruggekeken naar de feiten omtrent beoordeling van het levensgedrag van een persoon op vijf jaar is gesteld.

17. Hoe schat de burgemeester gezien de uitspraak van de Raad van State de juridische houdbaarheid van vergelijkbare sluitingen? Volgt hieruit actie?

Zoals hierboven beschreven, loopt de juridische procedure over deze casus nog. Los daarvan heeft de gedane uitspraak van de Raad van State geen gevolgen voor andere sluitingen. Iedere zaak wordt op zijn eigen merites beoordeeld. Er is alle vertrouwen dat vergelijkbare zaken in rechte standhouden, ook na deze uitspraak.


Mahmut Sungur, DENK
Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Peter van Corler, GroenLinks
Cees Bos, Stadsbelang
Hester Assen, PvdA
Dimitri Gilissen, VVD
Maarten Koning, D66
Jeffrey Koppelaar, S&S
Ruurt Wiegant, SP
Bert van Steeg, CDA