Mondelinge vragen Cultuurnota 2025-2028
Indiendatum: 20 jun. 2024
Mondelinge vragen 5, 20 juni 2024
Op 5 juni heeft de adviescommissie haar rapport gepresenteerd met daarin de beoordeling van de subsidieaanvragen voor de cultuurperiode 2025 – 2028. De afgelopen tijd heeft dit besluit behoorlijk wat stof doen opwaaien in diverse media en bij culturele organisaties. Ook is de Utrechtse gemeenteraad overspoeld met mailberichten van culturele organisaties die niet eens zijn met de uitkomsten van de adviescommissie. Daarnaast roept de plotselinge toevoeging van de voetnoot dat een commissielid zich distantieert van de uiteindelijke beoordeling door de subcommissie over het advies van het Nederlands Filmfestival vragen op over het proces:
1. Had de wethouder verwacht dat het rapport van de adviescommissie zoveel stof deed opwaaien en zo ja, welke stappen heeft zij ondernomen om dit een ‘zachte landing’ te geven bij de organisaties die nu door de adviescommissie negatief beoordeeld worden?
2. Kan de wethouder indenken dat de plotselinge voetnoot voor velen als een verrassing kwam? En waarom is na ruim een week deze voetnoot aan het advies pas toegevoegd?
3. Wat zegt deze last minute toevoeging over de totstandkoming van het adviesrapport?
4. Is de beoordeling van de subsidieaanvraag zorgvuldig en goed afgewogen te noemen wanneer één commissielid zich distantieert van de uiteindelijke beoordeling?
5. Welke (juridische) risico’s ziet de wethouder, bij het integraal overnemen, van dit besluit?
6. Welke stappen gaat de wethouder ondernemen om tot een zorgvuldig definitief besluit te komen over wie in de periode 2025-2028 subsidie ontvangt?
Dirk-Jan van Vliet, D66
Louise de Vries, Partij voor de Dieren
Margreet Ramaker, VVD
Bert van Steeg, CDA
Annemarijn Oudejans, Student & Starter
David Bosch, UtrechtNu!
Romi Leever, PvdA
Stefan Gaillard, Stadsbelang Utrecht
Beau Nederhand, Volt
Indiendatum:
20 jun. 2024
Antwoorddatum: 20 jun. 2024
Mondelinge vragen 5, 20 juni 2024
Op 5 juni heeft de adviescommissie haar rapport gepresenteerd met daarin de beoordeling van de subsidieaanvragen voor de cultuurperiode 2025 – 2028. De afgelopen tijd heeft dit besluit behoorlijk wat stof doen opwaaien in diverse media en bij culturele organisaties. Ook is de Utrechtse gemeenteraad overspoeld met mailberichten van culturele organisaties die niet eens zijn met de uitkomsten van de adviescommissie. Daarnaast roept de plotselinge toevoeging van de voetnoot dat een commissielid zich distantieert van de uiteindelijke beoordeling door de subcommissie over het advies van het Nederlands Filmfestival vragen op over het proces:
1. Had de wethouder verwacht dat het rapport van de adviescommissie zoveel stof deed opwaaien en zo ja, welke stappen heeft zij ondernomen om dit een ‘zachte landing’ te geven bij de organisaties die nu door de adviescommissie negatief beoordeeld worden?
Antwoord: In de Cultuurnota hebben de raad en het college gekozen voor lagere drempels en voor gezonde sector met fair pay en voor ruimte voor vernieuwing. Een gevolg is hogere aanvragen – want gezonde sector – en meer aanvragen. Dat heeft ertoe geleid dat het budget uiteindelijk met 30 procent is overvraagd. Een gevolg daarvan is dat een derde van de aanvragen niet kan worden gehonoreerd. Daar zitten onvermijdelijk ook bekende instellingen tussen. Dat doet pijn en het is logisch dat dit ook veel stof doet opwaaien. We wisten van tevoren dat dit een mogelijkheid was en we hebben ook steeds in het afgelopen jaar gesproken over pijnlijke keuzes die gemaakt zouden moeten worden in bijvoorbeeld de koepeloverleggen die we hebben gehad. Op het moment dat die pijnlijke keuzes een naam krijgen, wordt het concreet in plaats van abstract en is het begrijpelijk dat het echt veel stof doet opwaaien.
In de Cultuurnota Kleur bekennen wordt uitgebreid beschreven dat we die scherpe keuzes verwachtten. Een feitelijke onjuisthedencheck hebben we ook ingevoerd. Dus voordat de adviezen publiek werden, hebben we ze eerst ook naar de instellingen gestuurd, zodat ze wisten wat ze waren, zonder een uiteindelijk puntenoordeel. Alle instellingen met een negatief advies zijn vervolgens ook door Culturele Zaken op de dag zelf gebeld voordat het publiek werd.
2. Kan de wethouder indenken dat de plotselinge voetnoot voor velen als een verrassing kwam? En waarom is na ruim een week deze voetnoot aan het advies pas toegevoegd?
Antwoord: Ik snap de verrassing en het zit als volgt. Het minderheidsstandpunt was tijdens het proces van vergaderen bekend en het is beschreven na de subcommissievergadering en doorgegeven aan de kerncommissie voor de behandeling van deze aanvraag. Er is een uitgebreide afrondende meeting geweest met alle adviescommissieleden de donderdag voor de presentatie van het adviesrapport, waar de uiteindelijke uitslag en het werkproces van de kerncommissie gepresenteerd zijn. Dat was op 30 mei. De adviescommissieleden ontvingen net als alle andere betrokkenen op 5 juni het volledige rapport en toen zag het betreffende adviescommissielid dus ook dat zijn of haar minderheidsstandpunt niet gepubliceerd was. Dit is niet gedaan, omdat dit procedureel niet nodig en niet gebruikelijk is en daarom hadden we dat in eerste instantie niet opgenomen. Voor het advies geldt namelijk dat meerderheidsprincipe: vier leden waren het ermee eens en één lid was het oneens. Het adviescommissielid verzocht wel om
dit alsnog op te nemen en de voorzitter van de adviescommissie, Farid Tabarki, is met de commissie in conclaaf gegaan en heeft besloten aan het verzoek te voldoen en het minderheidsstandpunt dus te publiceren. Daar gaat even tijd overheen en daarom is dit pas een week na die bijeenkomst van 30 mei dit weer gepubliceerd.
3. Wat zegt deze last minute toevoeging over de totstandkoming van het adviesrapport?
Antwoord: De situatie van het minderheidsstandpunt is het hele adviesproces – en dat beschreef ik net al – bekend geweest en ook meegewogen bij iedereen die bij de beoordeling van deze aanvragen betrokken was. Het enige verschil is dat het nu ook in de publicatie is meegenomen. Het verandert dus niets aan de inhoud van het rapport of aan de inhoud van de gesprekken die zijn
gevoerd met de adviescommissie. Het feit dat de adviescommissie gehoor heeft gegeven aan dit verzoek zegt eigenlijk ook dat er binnen de commissie oor is voor elkaar en ook begrip is voor elkaar.
4. Is de beoordeling van de subsidieaanvraag zorgvuldig en goed afgewogen te noemen wanneer één commissielid zich distantieert van de uiteindelijke beoordeling?
Antwoord: ja, er gelden twee belangrijke juridische regels In de advisering, want er moeten ten minste drie commissieleden zijn om tot een beoordeling te komen en er geldt een meerderheidsprincipe. Vier van de vijf commissieleden scharen zich dus achter het advies en één ommissielid niet. Aan beide bovenstaande punten wordt dus ook voldaan in die juridische zin. En om dit toch in perspectief te plaatsen: alle andere 103 adviezen zijn unaniem tot stand gekomen en dat geeft aan dat er met veel respect inhoud en professionaliteit ook vergaderd is door de adviescommissie.
5. Welke (juridische) risico’s ziet de wethouder, bij het integraal overnemen, van dit besluit?
Antwoord: Ik moet zeggen dat in de vraagstelling op deze manier wel vooruit wordt gelopen op het nemen van een besluit door het college en dat wil ik echt niet doen. Ik heb er wel vertrouwen in, zoals ik ook bij de eerdere vragen al heb laten blijken, dat het proces dat we hebben ingericht zorgvuldig is. We zullen nu goed kijken of aan alle eisen van het proces en ook aan de door de raad gestelde kaders is voldaan en de raad daar uiteraard ook over informeren.
6. Welke stappen gaat de wethouder ondernemen om tot een zorgvuldig definitief besluit te komen over wie in de periode 2025-2028 subsidie ontvangt?
Antwoord: Onze taak als college is te controleren of alles volgens de door de raad gestelde kaders is doorlopen. Dat hebben we gedaan door zorgvuldige en transparante opdrachtverstrekking aan de ene kant en we zullen dit ook doen wat betreft de controle van de gevoerde van het gevoerde proces en de opgeleverde stukken aan de andere kant. Los van dit procedurele antwoord ben ik met alle partijen die dat hebben gevraagd het gesprek aangegaan. Ik luister ook serieus naar de signalen uit de stad als reactie op dit advies. Daar wordt ook op gereflecteerd in het uiteindelijke besluit van het college en ook de brieven die zijn gestuurd door de partijen en de koepels nemen we serieus en we zien ook zeker de zorgen vanuit bepaalde sectoren. Het zijn stressvolle en spannende tijden voor heel veel instellingen en dat vraagt veel van hen. Dat vraagt dus ook van ons een verantwoordelijkheid om zorgvuldig met deze besluiten om te gaan. Dat mag de raad van mij en van ons als college dus ook verwachten.
Dirk-Jan van Vliet, D66
Louise de Vries, Partij voor de Dieren
Margreet Ramaker, VVD
Bert van Steeg, CDA
Annemarijn Oudejans, Student & Starter
David Bosch, UtrechtNu!
Romi Leever, PvdA
Stefan Gaillard, Stadsbelang Utrecht
Beau Nederhand, Volt
Wij staan voor:
Interessant voor jou
Mondelinge vragen Pride is a Protest
Lees verderSchriftelijke vragen Lichtvervuiling sportparken
Lees verder