Schrif­te­lijke vragen Actieplan Red De Stads­vogel


Schriftelijke vragen 182/2018

Begin december berichtten diverse media dat er steeds minder stadsvogels in Nederland te vinden zijn. Sinds 1990 zijn de aantallen meer dan gehalveerd, en de huismus en de spreeuw (naast de kuifleeuwerik, die nu helemaal uit Nederland verdwenen is) zijn het hardst getroffen. Dit komt onder meer omdat steden als Utrecht steeds dichter bebouwd worden, mensen hun tuinen steeds meer betegelen, huizen zo geïsoleerd worden dat er geen ruimte meer is voor vogels, mensen en bedrijven nog steeds gif gebruiken bij het bestrijden van ‘onkruid’ en ‘overlastgevende dieren’, er te weinig groene daken en gevels zijn, de natuur niet mag ‘verrommelen’ door bijvoorbeeld dode bomen en afgevallen bladeren te laten liggen, etc.

Het college heeft mede op aandringen van de Partij voor de Dieren in 2016 een plan opgesteld voor diervriendelijk bouwen[1]. De in de commissie Stad en Ruimte van 18 oktober 2018 toegezegde brief over diervriendelijk bouwen is inmiddels ook verstuurd. Maar wat ons betreft zijn niet alleen (nieuw)bouwgerelateerde maatregelen nodig om de stadsvogels er bovenop te krijgen. Eveneens gaat het ons niet alleen om de twee vogelsoorten (gierzwaluwen en huismussen) die steeds genoemd worden. Want wat de PvdD betreft moet er veel meer gebeuren om álle stadsvogels in Utrecht te helpen. Wij luiden daarom de noodklok en hebben de volgende vragen:

1. Heeft het college de berichtgeving over de achteruitgang van stadsvogels gevolgd en wat vindt het college hiervan?

2. Wat is de stand van de stadsvogels in Utrecht? Hoe representatief is de landelijke berichtgeving voor de situatie in Utrecht?

3. Heeft het college inzicht in de ontwikkelingen in het aantal stadsvogels per wijk in Utrecht? Zo ja, kan het college hierop een reflectie geven?

Er worden al maatregelen genomen om vogels te helpen in Utrecht, maar wat de Partij voor de Dieren betreft moet er nú echt véél meer gedaan worden om te voorkomen dat stadsvogels nog meer in de knel komen, sterven door menselijk handelen en niet meer voorkomen in Utrecht.

4. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat er een integraal, beleidsterreinen overstijgend plan ‘Red de Stadsvogel’ moet komen met (aanvullende) maatregelen die de achteruitgang van het aantal stadsvogels in Utrecht stoppen en het tij doen keren, met als doel dat stadsvogels in aantal en in soorten kunnen toenemen en tevens kunnen floreren in Utrecht? Zo ja, wanneer is dat plan gereed? Zo nee, waarom niet?

5. Is het college bereid om met andere steden, te beginnen in G4-verband, te spreken over het helpen van de stadsvogels, ideeën uit te wisselen en expertise te delen? In hoeverre kan een stadsvogelreddend actieplan opgesteld worden met de andere G4-steden?

6. Is het college bereid om deze schokkende informatie te delen met bewoners en bedrijven in haar communicatiekanalen, en op deze manier de noodzaak te benadrukken om samen de stadsvogels te helpen door onder meer een stop op het gebruik van gif, het betegelen van tuinen, etc.? Zo nee, waarom niet?

Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren

[1] Soortenmanagementplan Utrechtse aanpak diervriendelijk bouwen, 6 juli 2016

Antwoorddatum: 15 jan. 2019

Schriftelijke vragen 182/2018

Begin december berichtten diverse media dat er steeds minder stadsvogels in Nederland te vinden zijn. Sinds 1990 zijn de aantallen meer dan gehalveerd, en de huismus en de spreeuw (naast de kuifleeuwerik, die nu helemaal uit Nederland verdwenen is) zijn het hardst getroffen. Dit komt onder meer omdat steden als Utrecht steeds dichter bebouwd worden, mensen hun tuinen steeds meer betegelen, huizen zo geïsoleerd worden dat er geen ruimte meer is voor vogels, mensen en bedrijven nog steeds gif gebruiken bij het bestrijden van ‘onkruid’ en ‘overlastgevende dieren’, er te weinig groene daken en gevels zijn, de natuur niet mag ‘verrommelen’ door bijvoorbeeld dode bomen en afgevallen bladeren te laten liggen, etc.

Het college heeft mede op aandringen van de Partij voor de Dieren in 2016 een plan opgesteld voor diervriendelijk bouwen[1]. De in de commissie Stad en Ruimte van 18 oktober 2018 toegezegde brief over diervriendelijk bouwen is inmiddels ook verstuurd. Maar wat ons betreft zijn niet alleen (nieuw)bouwgerelateerde maatregelen nodig om de stadsvogels er bovenop te krijgen. Eveneens gaat het ons niet alleen om de twee vogelsoorten (gierzwaluwen en huismussen) die steeds genoemd worden. Want wat de PvdD betreft moet er veel meer gebeuren om álle stadsvogels in Utrecht te helpen. Wij luiden daarom de noodklok en hebben de volgende vragen:

1. Heeft het college de berichtgeving over de achteruitgang van stadsvogels gevolgd en wat vindt het college hiervan?

Wij hebben de berichtgeving gevolgd. Stadsvogels zijn onderdeel van een gezonde en duurzame stad en het college draagt stadsvogels een warm hart toe.

2. Wat is de stand van de stadsvogels in Utrecht? Hoe representatief is de landelijke berichtgeving voor de situatie in Utrecht?

In Nederland worden stadsvogels gemonitord met behulp van het MUS-systeem. Deze monitoring is opgezet door SOVON vogelonderzoek Nederland en wordt uitgevoerd door vrijwilligers. Ook in Utrecht wordt gemonitord. De resultaten van deze monitoring worden jaarlijks aan gemeente geleverd en opgenomen in het Duurzaamheidsverslag. De resultaten van 2018 worden halverwege januari 2019 verwacht en verwerkt in het Duurzaamheidsverslag over 2018.

Uit monitoring van 2017 blijkt dat een aantal soorten in Utrecht achteruit gaat en een evenredig aantal vooruit gaat. Soorten die het goed doen zijn bijvoorbeeld putter, kauw en zwartkop. De blauwe reiger, koolmees, spreeuw, winterkoning, groenling en merel zijn voorbeelden van soorten die achteruit gaan. In vergelijking met andere steden laat de gierzwaluw in Utrecht en Amsterdam een stabiele trend zien, tegen afname in Den Haag, Rotterdam en Nederland in het algemeen. De huismus laat in Nederland in het algemeen, Utrecht en Rotterdam een matige afname zien. Alleen in Amsterdam is sprake van een matige toename.

3. Heeft het college inzicht in de ontwikkelingen in het aantal stadsvogels per wijk in Utrecht? Zo ja, kan het college hierop een reflectie geven?

De MUS-tellingen worden door vrijwilligers uitgevoerd op het niveau van postcode-gebied. In onderstaande figuur is aangegeven welke gebieden in Utrecht geteld wordt (blauw). In de meeste wijken liggen MUS-telpunten, met uitzondering van delen van het Centrum, Lage Weide, Zuilen en Vleuten-De Meern. Wij hebben bij SOVON Vogelonderzoek Nederland de vraag neergelegd of de verzamelde gegevens in kwalitatief en kwantitatief opzicht voldoende zijn om op wijkniveau uitspraken te doen over de trend van stadsvogels. Indien dat het geval is koppelen we daarover terug.

Er worden al maatregelen genomen om vogels te helpen in Utrecht, maar wat de Partij voor de Dieren betreft moet er nú echt véél meer gedaan worden om te voorkomen dat stadsvogels nog meer in de knel komen, sterven door menselijk handelen en niet meer voorkomen in Utrecht.

4. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat er een integraal, beleidsterreinen overstijgend plan ‘Red de Stadsvogel’ moet komen met (aanvullende) maatregelen die de achteruitgang van het aantal stadsvogels in Utrecht stoppen en het tij doen keren, met als doel dat stadsvogels in aantal en in soorten kunnen toenemen en tevens kunnen floreren in Utrecht? Zo ja, wanneer is dat plan gereed? Zo nee, waarom niet?

Stadsvogels hebben met elkaar gemeen dat zij vaker of in hogere dichtheid voorkomen in de stad dan buiten de stad. Tegelijkertijd is de ecologie van stadsvogels sterk verschillend en stellen zij elk specifieke eisen aan hun leefgebied. De oorzaak van de achteruitgang van stadsvogels in het algemeen lijkt gerelateerd aan verdichting van de stad en intensivering van het groenonderhoud, in combinatie met verlies van nestgelegenheid in gebouwen.

Een beleidsterrein-overstijgend plan is naar onze mening te sectoraal. Via verschillende sporen werken wij reeds aan verbetering van het leefgebied van stadsvogels en natuur en biodiversiteit. Met Diervriendelijk Bouwen wordt actief ingezet op het vergroten van het aanbod nestplaatsen voor gebouwbewonende soorten. Wij hebben 700.000 extra beschikbaar gesteld voor versterking van de groenblauwe infra, waarmee ook buiten de hoofdgroenstructuur verbetering van leefgebied wordt gerealiseerd. Verbetering van het leef- en foerageergebied vindt verder plaats middels het ontharden van de buitenruimte, het ecologische hooilandbeheer en groene maatregelen in het kader van de klimaatadaptieaanpak (o.m. Waterproof030).

We gaan onderzoeken of de succesvolle hagenregeling in Leidsche Rijn ook elders toegepast kan worden. Tot slot werken we samen met Stadsbedrijven aan het realiseren van refugia voor dieren in bosplantsoen, door meer gesloten bos met onderbegroeiing na te streven. Hiermee bedienen we niet alleen stadsvogels, maar het stedelijk ecologisch systeem in het algemeen.

5. Is het college bereid om met andere steden, te beginnen in G4-verband, te spreken over het helpen van de stadsvogels, ideeën uit te wisselen en expertise te delen? In hoeverre kan een stadsvogelreddend actieplan opgesteld worden met de andere G4-steden?

De ecologen van Gemeente Utrecht hebben regelmatig afstemming met de ecologen uit de G4-steden en andere steden over stadsecologische ontwerpen, onder meer in de Werkgroep Stedelijke Ecologie. Stadsvogels zijn daarbij een terugkerend thema en onderwerpen als soortmanagementplannen en diervriendelijk bouwen worden regelmatig besproken. De problematiek rond stadsvogels is deels terug te voeren op oorzaken die voor alle gemeenten gelden (bijvoorbeeld renovatie en na-isolatie, verdichting, verharding door bewoners). Onderlinge verschillen samenhangend met bijvoorbeeld bouwstijl, hoeveelheid openbaar groen, beheer van het groen en aard van de omgeving en het buitengebied vragen echter om gemeentespecifieke maatregelen.

6. Is het college bereid om deze schokkende informatie te delen met bewoners en bedrijven in haar communicatiekanalen, en op deze manier de noodzaak te benadrukken om samen de stadsvogels te helpen door onder meer een stop op het gebruik van gif, het betegelen van tuinen, etc.? Zo nee, waarom niet?

Op verschillende manieren wordt gecommuniceerd over (de problematiek rond) stadsvogels in Utrecht. Soms doen we dat op specifieke wijze zoals bij de succesvolle publiekscampagne Huismus030. Vaker proberen we op indirecte wijze de leefomgeving voor stadvogels te verbeteren door het uitdragen van het principe van diervriendelijk bouwen naar onder meer woningcorporaties en de informatie op de website van gemeente Utrecht. Ook wordt aansluiting gezocht bij andere initiatieven die bijdragen aan een groenere leefomgeving, waaronder Waterproof030.

Tot slot is onze samenwerking met groengroepen en vrijwilligers, bijvoorbeeld via de Magie, een goed voorbeeld van het betrekken van bewoners. Het weekend van 26-27 januari staat in het teken van de tuinvogeltellingen en ook dan zullen veel Utrechters weer bewust worden van het belang van maatregelen voor vogels in de tuin.

Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren

[1] Soortenmanagementplan Utrechtse aanpak diervriendelijk bouwen, 6 juli 2016