Schrif­te­lijke vragen Dier­vrien­delijk bouwen


Schriftelijke vragen 25/2019

Afgelopen maand ontvingen wij de raadsbrief Puntensysteem diervriendelijk bouwen, waarin het college ingaat op de uitvoering van onze motie 2017-228. De Partij voor de Dieren is tevreden dat het college aan de opleiding biologie van de Universiteit Utrecht om een adviesrapport heeft gevraagd. Het adviesrapport geeft veel interessante aanknopingspunten om in Utrecht diervriendelijk te bouwen, waarbij specifiek rekening wordt gehouden met de voor Utrecht kenmerkende soorten. Ook worden concrete maatregelen voor deze soorten kwantificeerbaar gemaakt.

1. Is het college bereid om de eerste opzet voor een kwantitatief puntensysteem diervriendelijk bouwen binnen Utrecht, zoals gemaakt in het adviesrapport “Puntensysteem Diervriendelijk Bouwen” van de UU studenten, verder uit te werken?

2. Deelt het college onze zorgen dat de lokale biodiversiteit mogelijk meer gebaat is bij een specifiek Utrechts systeem, dan bij het opnemen in landelijke puntensystemen die een veel breder kader van duurzaamheid beslaan?

3. Deelt het college de mening dat de Utrechtse biodiversiteit kenmerkende eigenschappen heeft, onder meer doordat in onze stedelijke omgeving en klimaat andere soorten voorkomen of een kansrijk bestaan hebben, dan in andere omgevingen? Zo nee waarom niet?

4. Deelt het college de mening dat specifiek de soorten die voorkomen op de Utrechtse Soortenlijst, gekoesterd moeten worden en dat het waardevol is om specifiek met deze soorten rekening te houden bij diervriendelijk bouwen? Zo nee waarom niet?

5. Wanneer diervriendelijk bouwen beter geïmplementeerd wordt in BREEAM, hoe wordt daarbij rekening gehouden met de behoeften van dieren in verschillende omgevingen, zoals een stedelijke en landelijke omgeving, en de vertaling van deze behoeften in diervriendelijk bouwen?

6. Wanneer diervriendelijk bouwen beter geïmplementeerd wordt in GPR, hoe wordt daarbij rekening gehouden met de behoeften van dieren in verschillende omgevingen, zoals een stedelijke en landelijke omgeving, en de vertaling van deze behoeften in diervriendelijk bouwen?

7. Als diervriendelijk bouwen geïmplementeerd wordt in de duurzaamheidsinstrumenten BREEAM en GPR, in hoeverre kunnen er dan in tenders concrete eisen met betrekking tot diervriendelijk bouwen worden gesteld?

8. Als diervriendelijk bouwen geïmplementeerd wordt in de duurzaamheidsinstrumenten BREEAM en GPR, is dan de score in een tender op te splitsen in bijvoorbeeld punten voor maatregelen op het gebied van energie, isolatie, omgeving en diervriendelijk bouwen, of wordt alles in één algemene score gevat? Graag een toelichting.

9. Als de ontwikkelaars van BREAAM en GPR maatregelen voor diervriendelijk bouwen concreter en meetbaarder gaan opnemen, zoals het college in haar brief schrijft, hebben zij daarbij al aangegeven of (en hoe) zij rekening gaan gehouden met specifiek de behoeften van de Utrechtse ecologie?

10. In haar brief schrijft het college dat vooruitlopend op incorporatie in landelijke systemen, in nieuwe tenders, EMVI’s en anterieure overeenkomsten, deelnemers een minimale score moeten halen wat betreft maatregelen voor dieren.

a. Kunnen wij een overzicht ontvangen waarin staat hoe deze scorevaststelling precies invulling krijgt?

b. Welke maatregelen worden geëist en op basis waarvan zijn deze maatregelen geselecteerd?

c. Hoe wordt de score bepaald?

d. Hoe vaak en bij welke projecten is deze scoreberekening al toegepast? Zijn er al resultaten bekend?

11. Hoe gaat het college om met alle adviezen uit het adviesrapport “Puntensysteem Diervriendelijk Bouwen” van de studenten van de UU? Welke adviezen neemt het college over en hoe wordt daar invulling aan gegeven? Welke adviezen legt het college naast zich neer en waarom?

12. Is het college het met ons eens dat, gezien de grote verschillen tussen stedelijke en niet-stedelijke omgevingen, een landelijk systeem voor diervriendelijk bouwen mogelijk onvoldoende recht doet aan dieren in een stedelijke omgeving, en dat het mogelijk meer oplevert om alleen, of in bijvoorbeeld G4-verband, een puntensysteem te ontwikkelen? Zo ja, is zij bereid om in G4-verband tot zo’n puntensysteem te komen?

13. In de groeiende stad die Utrecht wil zijn, wordt veel gebouwd en verbouwd. Is het college het met ons eens dat daarom extra regels nodig zijn en inzet nodig is voor diervriendelijk bouwen om de lokale biodiversiteit te kunnen beschermen en te versterken?

Anne Sasbrink, Partij voor de Dieren

Antwoorddatum: 25 feb. 2019

Schriftelijke vragen 25/2019

Afgelopen maand ontvingen wij de raadsbrief Puntensysteem diervriendelijk bouwen, waarin het college ingaat op de uitvoering van onze motie 2017-228. De Partij voor de Dieren is tevreden dat het college aan de opleiding biologie van de Universiteit Utrecht om een adviesrapport heeft gevraagd. Het adviesrapport geeft veel interessante aanknopingspunten om in Utrecht diervriendelijk te bouwen, waarbij specifiek rekening wordt gehouden met de voor Utrecht kenmerkende soorten. Ook worden concrete maatregelen voor deze soorten kwantificeerbaar gemaakt.

1. Is het college bereid om de eerste opzet voor een kwantitatief puntensysteem diervriendelijk bouwen binnen Utrecht, zoals gemaakt in het adviesrapport “Puntensysteem Diervriendelijk Bouwen” van de UU studenten, verder uit te werken?

Het college zet in op een zo breed mogelijke toepassing van diervriendelijke maatregelen bij bouwplannen. In sommige gevallen hebben we directe invloed; zo formuleren we bij tenders in overleg met onze ecologen een specifieke minimumeis rondom diervriendelijk bouwen die aansluit bij het ecologische profiel van een uit te geven kavel. In deze tenders zal het mogelijk zijn aanvullend op de minimumeis bonuspunten te verdienen wanneer er extra diervriendelijke maatregelen worden getroffen.

Bij trajecten waarbij de gemeente geen grondeigenaar is proberen we via onderhandeling diervriendelijk bouwen te borgen, met name bij initiatieven die een wijziging van het bestemmingsplan nodig hebben. Indien projecten binnen een bestaand bestemmingsplan passen kan de initiatiefnemer een aanvraag omgevingsvergunning indienen, als deze aan de wetgeving voldoet wordt die vergund. Wij kunnen in dat geval geen aanvullende maatregelen afdwingen.

Zoals in de raadsbrief is aangegeven zetten wij ook in op de incorporatie van diervriendelijke maatregelen in landelijke systemen zoals BREAM en GPR; zodat we ook op indirecte manier diervriendelijk bouwen stimuleren. We denken daarmee het beste van twee werelden na te streven en de grootste impact te bewerkstelligen; met de minimale eis zorgen we enerzijds voor de uitvraag van de meeste effectieve maatregelen, opname van maatregelen in het landelijke systeem maakt het anderzijds voor andere gemeenten makkelijker om ook in te zetten op diervriendelijk bouwen en geeft ontwikkelaars de kans vertrouwd te raken met diervriendelijke maatregelen en zich onderling op objectieve wijze te onderscheiden (ook bij tenders waar we niet direct bij betrokken zijn).

2. Deelt het college onze zorgen dat de lokale biodiversiteit mogelijk meer gebaat is bij een specifiek Utrechts systeem, dan bij het opnemen in landelijke puntensystemen die een veel breder kader van duurzaamheid beslaan?

Nee, zie antwoord 1 en 10.

3. Deelt het college de mening dat de Utrechtse biodiversiteit kenmerkende eigenschappen heeft, onder meer doordat in onze stedelijke omgeving en klimaat andere soorten voorkomen of een kansrijk bestaan hebben, dan in andere omgevingen? Zo nee waarom niet?

Ja.

4. Deelt het college de mening dat specifiek de soorten die voorkomen op de Utrechtse Soortenlijst, gekoesterd moeten worden en dat het waardevol is om specifiek met deze soorten rekening te houden bij diervriendelijk bouwen? Zo nee waarom niet?

Ja.

5. Wanneer diervriendelijk bouwen beter geïmplementeerd wordt in BREEAM, hoe wordt daarbij rekening gehouden met de behoeften van dieren in verschillende omgevingen, zoals een stedelijke en landelijke omgeving, en de vertaling van deze behoeften in diervriendelijk bouwen?

Zie antwoord 1 en 10.

6. Wanneer diervriendelijk bouwen beter geïmplementeerd wordt in GPR, hoe wordt daarbij rekening gehouden met de behoeften van dieren in verschillende omgevingen, zoals een stedelijke en landelijke omgeving, en de vertaling van deze behoeften in diervriendelijk bouwen?

Zie antwoord 1 en 10.

7. Als diervriendelijk bouwen geïmplementeerd wordt in de duurzaamheidsinstrumenten BREEAM en GPR, in hoeverre kunnen er dan in tenders concrete eisen met betrekking tot diervriendelijk bouwen worden gesteld?

In tenders zullen de stadsecologen per tender specifieke minimumeisen formuleren. Naast dit minimum aan concrete maatregelen kan, na incorporatie in landelijke systemen, aanvullend een ondergrens binnen de duurzaamheidsinstrumenten worden gesteld (bijvoorbeeld minimaal een 7 van de 10 op diervriendelijk bouwen binnen GPR Gebouw).

8. Als diervriendelijk bouwen geïmplementeerd wordt in de duurzaamheidsinstrumenten BREEAM en GPR, is dan de score in een tender op te splitsen in bijvoorbeeld punten voor maatregelen op het gebied van energie, isolatie, omgeving en diervriendelijk bouwen, of wordt alles in één algemene score gevat? Graag een toelichting.

Diervriendelijk bouwen wordt een aparte categorie en apart beoordeeld. Deze score kan in Utrecht niet worden gecompenseerd met bijvoorbeeld isolerende maatregelen. Ook nu al wordt de waardering van duurzaamheid in tenders via meerdere aspecten beoordeeld.

9. Als de ontwikkelaars van BREAAM en GPR maatregelen voor diervriendelijk bouwen concreter en meetbaarder gaan opnemen, zoals het college in haar brief schrijft, hebben zij daarbij al aangegeven of (en hoe) zij rekening gaan gehouden met specifiek de behoeften van de Utrechtse ecologie?

Zie antwoord 1.

10. In haar brief schrijft het college dat vooruitlopend op incorporatie in landelijke systemen, in nieuwe tenders, EMVI’s en anterieure overeenkomsten, deelnemers een minimale score moeten halen wat betreft maatregelen voor dieren.

a. Kunnen wij een overzicht ontvangen waarin staat hoe deze scorevaststelling precies invulling krijgt?

Na verzending van de brief zijn er nog geen nieuwe tenders gestart. Er is op moment van deze beantwoording dus nog geen scorevaststelling bepaald.

b. Welke maatregelen worden geëist en op basis waarvan zijn deze maatregelen geselecteerd?

Zoals aangegeven formuleren we per tender een minimale eis op basis van de ecologische kansen van de uit te geven kavel. Dit wordt bepaald in overleg met de Utrechtse stadsecologen en zorgt er voor dat per locatie een optimaal maatregelenpakket wordt geëist.

c. Hoe wordt de score bepaald?

De beoordeling is tweeledig. Inschrijvers moeten in ieder geval voldoen aan de minimale eisen die we aan diervriendelijk bouwen stellen. Naast de verplichte inspanning kunnen ontwikkelaars extra punten verdienen door meer maatregelen toe te passen dan gevraagd. Denk hierbij aan het toepassen van inbouwnestkasten voor de huismus en gierzwaluw, het toepassen van inbouw paarverblijven en kolonieverblijven voor de dwergvleermuis en het toepassen van inheemse hagen en bomen.

d. Hoe vaak en bij welke projecten is deze scoreberekening al toegepast? Zijn er al resultaten bekend?

zie antwoord a.

11. Hoe gaat het college om met alle adviezen uit het adviesrapport “Puntensysteem Diervriendelijk Bouwen” van de studenten van de UU? Welke adviezen neemt het college over en hoe wordt daar invulling aan gegeven? Welke adviezen legt het college naast zich neer en waarom?

Er zijn vijf adviezen uitgebracht door de studenten:
a. Begeleiding van experts. Deze wordt geborgd door de minimumeisen door onze stadsecologen op te laten stellen;
b. Locatiespecifiek maatwerk. Zie antwoord 11a;
c. Experimenteren. Dit advies is geborgd doordat ontwikkelaars punten kunnen verdienen door maatregelen bovenop de minimale eisen toe te passen. De stadsecologen zullen die op waarde schatten en naar gelang de kwaliteit punten toekennen;
d. Onderhoud en monitoring. Zie antwoord 11a en c. De stadsecologen kunnen hier eisen bij voorschrijven;
e. Actualiteit van het puntensysteem. Zie antwoord 11a.

12. Is het college het met ons eens dat, gezien de grote verschillen tussen stedelijke en niet-stedelijke omgevingen, een landelijk systeem voor diervriendelijk bouwen mogelijk onvoldoende recht doet aan dieren in een stedelijke omgeving, en dat het mogelijk meer oplevert om alleen, of in bijvoorbeeld G4-verband, een puntensysteem te ontwikkelen? Zo ja, is zij bereid om in G4-verband tot zo’n puntensysteem te komen?

Zie antwoord 1 en 10. Ook in dorpen wonen dieren in gebouwen; door opname in landelijke systemen wordt het voor kleinere gemeenten ook makkelijker dergelijke eisen te stellen.

13. In de groeiende stad die Utrecht wil zijn, wordt veel gebouwd en verbouwd. Is het college het met ons eens dat daarom extra regels nodig zijn en inzet nodig is voor diervriendelijk bouwen om de lokale biodiversiteit te kunnen beschermen en te versterken?

Ja, omdat de groei van de stad niet ten koste mag gaan van de biodiversiteit worden maatregelen getroffen om die te beschermen en te versterken. Met de incorporatie van diervriendelijke maatregelen in landelijke systemen en de verplichting die Utrecht oplegt bij tenders zetten we een flinke stap op het gebied van diervriendelijk bouwen. Daarnaast zetten wij ons op diverse andere manieren in om de lokale biodiversiteit te versterken en te beschermen; een goed voorbeeld hiervan is de vaststelling van de Utrechtse Soortenlijst.

Anne Sasbrink, Partij voor de Dieren