Schrif­te­lijke vragen Tegen­strijdige infor­matie lucht­kwa­liteit St Jacobs­straat e.o.


Indiendatum: 12 feb. 2015

Schriftelijke vragen 30/2015

Gedurende de afgelopen maanden zijn er verschillende documenten en brieven over de luchtkwaliteitsbeoordeling met betrekking tot de Jacobsstraat e.o. onder de aandacht van de Partij voor de Dieren gekomen. De fractie is na zorgvuldige raadpleging van deze documenten tot de conclusie gekomen dat de documenten en brieven tegenstrijdige informatie bevatten met betrekking tot de luchtkwaliteitsbeoordeling voor de Jacobsstraat en omgeving.

Het gaat om de volgende documenten en brieven:

  • Raadsbrief oud-wethouder Lintmeijer n.a.v. Aanbeveling 2 uit Rekenkamer rapport “Geen Vuiltje Aan De Lucht”, d.d. 21 september 2011
  • Raadsbrief van wethouder Paulus Jansen n.a.v. toezegging Raadsinformatieavond bestemmingsplan Hoek St. Jacobsstraat-Lange Viestraat, d.d. 16 juli 2014, met bijlage:
    - “Memo inzake luchtkwaliteitsbeoordeling BP La Vie”, d.d. 16 juli 2014
  • Brief aan ABRvS van advocaat mr. J.C. van Oosten, d.d. 30 oktober 2014
  • WOB-besluit inzake bussen, kenmerk 14.500603, d.d. 4 november 2014, met twee bijlagen:
    - Excellijst “vru31_2015_oudenoord_stjacobstr-bussen”
    - Excellijst “vru31_2020_oudenoord_stjacobstr-bussen”
  • Brief aan ABRvS van advocaat mr. J.C. van Oosten, d.d. 3 februari 2015

De Partij voor de Dieren maakt zich ernstig zorgen om de luchtkwaliteit in Utrecht en heeft ten aanzien van de luchtkwaliteitsbeoordeling en de prognose voor de aantallen bussen die in de Jacobsstraat e.o. zullen gaan rijden in 2015-2020 de volgende vragen aan het college:

1. Is het college bekend met bovengenoemde documenten?

In de brief van wethouder Paulus Jansen, d.d.16 juli 2014, staat: “Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van de verwachte lagere achtergrondconcentratie, de lagere bus intensiteiten en de lagere bus-emissies de afname in de concentraties op de verschillende straten goed te verklaren zijn, ondanks de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het BP La Vie. Op de Oudenoord neemt de concentratie veel sterker af als gevolg van de daling van de verkeersintensiteit op de Oudenoord als gevolg van de in het verkeersmodel opgenomen ”knip” Monicabrug. De berekeningen zowel voor als na de uitbreiding geven geen overschrijding van de grenswaarden.”

De Partij voor de Dieren begrijpt hier onder andere uit dat er minder bussen zullen gaan rijden en dat er gerekend is met schonere bussen.

Echter, in de brief van mr. J.C. van Oosten, d.d. 30 oktober 2014, wordt op pagina 3 bevestigd dat LBP Sight niet is uitgegaan van de schalingsfactoren uit de invoergegevens van de Monitoringstool 2014, maar van de standaardbusemissiefactoren. Er is dus volgens deze advocaat niet gerekend met de effecten van het verschonen van bussen.

Vervolgens staat in het WOB-besluit van 7 oktober 2014 vermeld dat de berekeningen door LBP Sight zijn gebaseerd op dezelfde uitgangspunten als de Monitoringstool 2014: “De busequivalenten zijn ingevoerd in de MT2014, waarvan u via ons WOB-besluit d.d. 24 september 2014 (kenmerk 14.060972) de invoergegevens hebt ontvangen.” In deze Monitoringstool 2014 wordt voor het jaar 2015 uitgegaan van diverse milieumaatregelen, waaronder de maatregel “schonere bussen”.

2. Hoe verklaart het college de tegenstrijdige verklaringen in de raadsbrief van de wethouder, de brief van de advocaat en het WOB-besluit over welke busemissiefactoren gebruikt zijn voor de berekeningen? Is er nu wel of niet door LBP Sight gerekend met schonere bussen? Graag een duidelijke toelichting.

Wat betreft de prognose van de wethouder dat er minder bussen zullen gaan rijden: dit wordt tegengesproken door de informatie uit het WOB-besluit. Uit deze informatie blijkt namelijk dat er juist met méér bussen is gerekend in plaats van minder. De aantallen uit het WOB-besluit komen overeen met de prognoses uit de NSL Monitoring van het aantal bussen/busequivalenten door de Jacobsstraat voor het jaar 2015.

3. Hoe verklaart het college de tegenstrijdige verklaringen over de prognose voor het aantal bussen/busequivalenten door en rondom de Jabobsstraat in brief van de wethouder en in het WOB-besluit? Wat is nu de juiste prognose? Graag een duidelijke, met berekeningen, onderbouwde toelichting.

Verder zou uit het LBP Sight rapport “Aanvullende scenario berekeningen luchtkwaliteit”, d.d. 2 februari 2015 (bijlage brief mr. J.C. van Oosten d.d. 3 februari 2015) blijken dat een knip/knijp Monicabrug helemaal niet nodig is. In de twee doorgerekende situaties voor 2015, inclusief planontwikkeling, wordt zowel de knip/knijp Monicabrug als de milieuzone weggelaten. Uit de berekeningen wordt als conclusie getrokken dat er in beide situaties ruim onder de grenswaarde voor NO2 wordt gebleven.

4. Kan het college deze conclusie van uit het LBP Sight rapport helder toelichten? Graag een uitgebreide toelichting welke informatie klopt en waar het mis is gegaan in de communicatie richting de gemeenteraad dan wel richting de Raad van State.

Tot slot blijkt uit de brief van mr. J.C. van Oosten, d.d. 30 oktober 2014, dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met de toezegging van oud-wethouder Lintmeijer, geformuleerd in zijn brief d.d. 21 september 2011 n.a.v. het Rekenkamerrapport “Geen vuiltje aan de lucht”.

In de brief van oud-wethouder Lintmeijer staat namelijk: “In het collegeprogramma is de afspraak gemaakt de luchtkwaliteitsgrenswaarden te zien als minimumnormen. Daarmee geeft het college al aan deze norm slechts als het afgeleide te beschouwen van het achterliggende doel van het bevorderen van een gezonde leefomgeving. Voor de zogenaamde bijna-knelpuntlokaties wil ik de aanbeveling van de Rekenkamer in praktijk brengen, door per lokatie met een aanvullende pakket maatregelen te sturen op een NO2 streefwaarde van 38 ?g/m3 in 2015 in plaats van 40,5 ?g/m3.”

Echter, Mr. J.C. van Oosten schrijft in zijn brief: “De afrondingsregel in artikel 68 lid 1 Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 leidt ertoe dat een concentratie van 40,5 NO2 niet resulteert tot overschrijding van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2.”

5. Kan het college verhelderen hoe het mogelijk is dat een advocaat van de gemeente, zonder mededeling aan de gemeenteraad, een toezegging van een wethouder ter zijde schuift? Wat is dan nog de waarde van een dergelijke toezegging? Graag een uitgebreide toelichting.

6. Klopt het dat er door het college niet meer vastgehouden wordt aan de streefwaarde van 38 microgram NO2 in 2015 en dat nu een streefwaarde van 40,5 ?g/m3 voldoende is? Graag een heldere toelichting.

7. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat dubbelzinnige informatieverstrekking rondom luchtkwaliteit leidt tot frustratie onder inwoners van Utrecht en de geloofwaardigheid van de gemeente daarmee in het geding komt? Graag een heldere toelichting.

Eva van Esch, Partij voor de Dieren

Indiendatum: 12 feb. 2015
Antwoorddatum: 17 mrt. 2015

Schriftelijke vragen 30/2015

Gedurende de afgelopen maanden zijn er verschillende documenten en brieven over de luchtkwaliteitsbeoordeling met betrekking tot de Jacobsstraat e.o. onder de aandacht van de Partij voor de Dieren gekomen. De fractie is na zorgvuldige raadpleging van deze documenten tot de conclusie gekomen dat de documenten en brieven tegenstrijdige informatie bevatten met betrekking tot de luchtkwaliteitsbeoordeling voor de Jacobsstraat en omgeving.

Het gaat om de volgende documenten en brieven:

  • Raadsbrief oud-wethouder Lintmeijer n.a.v. Aanbeveling 2 uit Rekenkamer rapport "Geen Vuiltje Aan De Lucht", d.d. 21 september 2011
  • Raadsbrief van wethouder Paulus Jansen n.a.v. toezegging Raadsinformatieavond bestemmingsplan Hoek St. Jacobsstraat-Lange Viestraat, d.d. 16 juli 2014, met bijlage: o "Memo inzake luchtkwaliteitsbeoordeling BP La Vie", d.d. 16 juli 2014
  • Brief aan ABRvS van advocaat mr. J.C. van Oosten, d.d. 30 oktober 2014
  • WOB-besluit inzake bussen, kenmerk 14.500603, d.d. 4 november 2014, met twee bijlagen:
    - Excellijst "vru31_2015_oudenoord_stjacobstr-bussen"
    - Excellijst "vru31_2020_oudenoord_stjacobstr-bussen"
  • Brief aan ABRvS van advocaat mr. J.C. van Oosten, d.d. 3 februari 2015

De Partij voor de Dieren maakt zich ernstig zorgen om de luchtkwaliteit in Utrecht en heeft ten aanzien van de luchtkwaliteitsbeoordeling en de prognose voor de aantallen bussen die in de Jacobsstraat e.o. zullen gaan rijden in 2015-2020 de volgende vragen aan het college:

1. Is het college bekend met bovengenoemde documenten?

Antwoord: Ja.

In de brief van wethouder Paulus Jansen, d.d.16 juli 2014, staat: "Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van de verwachte lagere achtergrondconcentratie, de lagere bus intensiteiten en de lagere bus-emissies de afname in de concentraties op de verschillende straten goed te verklaren zijn, ondanks de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het BP La Vie. Op de Oudenoord neemt de concentratie veel sterker af als gevolg van de daling van de verkeersintensiteit op de Oudenoord als gevolg van de in het verkeersmodel opgenomen "knip" Monicabrug. De berekeningen zowel voor als na de uitbreiding geven geen overschrijding van de grenswaarden."

De Partij voor de Dieren begrijpt hier onder andere uit dat er minder bussen zullen gaan rijden en dat er gerekend is met schonere bussen.

Echter, in de brief van de mr. J.C. van Oosten, d.d. 30 oktober 2014, wordt op pagina 3 bevestigd dat LBP Sight niet is uitgegaan van de schalingsfactoren uit de invoergegevens van de Monitoringstool 2014, maar van de standaardbusemissiefactoren. Er is dus volgens deze advocaat niet gerekend met de effecten van het verschonen van bussen.

Vervolgens staat in het WOB-besluit van 7 oktober 2014 vermeld dat de berekeningen door LBP Sight zijn gebaseerd op dezelfde uitgangspunten als de Monitoringstool 2014: "De busequivalenten zijn ingevoerd in de MT2014, waarvan u via ons WOB-besluit d.d. 24 september 2014 (kenmerk 14.060972) de invoergegevens hebt ontvangen." In deze Monitoringstool 2014 wordt voor het jaar 2015 uitgegaan van diverse milieumaatregelen, waaronder de maatregel "schonere bussen".

2. Hoe verklaart het college de tegenstrijdige verklaringen in de raadsbrief van de wethouder, de brief van de advocaat en het WOB-besluit over welke busemissiefactoren gebruikt zijn voor de berekeningen? Is er nu wel of niet door LBP Sight gerekend met schonere bussen? Graag een duidelijke toelichting.

Antwoord: Door de gemeente zijn alle invoergegevens (rekenpuntbestanden, wegsegmentbestanden en maatregelbestanden) uit de Monitoringstool2014 aan LBP|Sight ter beschikking gesteld, in de gedachte dat het daardoor voor LBP|Sight mogelijk zou zijn om met deze invoergegevens met de toen beschikbare NSL Rekentool de luchtberekeningen voor het Bestemmingsplan La Vie uit te voeren. LBP|Sight heeft er echter voor gekozen om de berekeningen uit te voeren met Geomilieu-Stacks (een eveneens door de Minister van IenM goedgekeurde rekenmethode). Goedkeuring aan een rekenmethode wordt door de Minister verleend als de berekende gehalten voor stikstofdioxide niet meer dan 15% afwijken van de referentiewaarde voor stikstofdioxide. Het gebruik van een andere rekenmethode dan de NSL-Rekentool zal dus in de praktijk (kunnen) leiden tot andere uitkomsten.

Ook is er door LBP|Sight voor gekozen om alleen de door de gemeente ter beschikking gestelde rekenpunt- en wegsegmentbestanden te gebruiken en niet de maatregelbestanden. In het rapport van LBP|Sight is hierover het volgende opgenomen: "Uit de NSL monitoringtool zijn voor de gemeente Utrecht de wegen, wegkenmerken en aantallen verkeersbewegingen betrokken voor de jaren 2015 en 2020". Door LBP|Sight is bij de luchtberekeningen dus geen gebruik gemaakt van de door de gemeente ter beschikking gestelde maatregelbestanden Ten tijde van de brief d.d. 16 juli 2014 van wethouder Jansen aan de gemeenteraad was nog niet bekend bij de gemeente Utrecht dat LBP|Sight geen gebruik had gemaakt van de maatregelbestanden en de berekeningen had uitgevoerd met de standaardemissiefactoren. Omdat daardoor worst case is gerekend (geen rekening gehouden met milieuzone en schone bussen) heeft dit geen relevantie gehad voor de lopende bestemmingsplanprocedure.

Wat betreft de prognose van de wethouder dat er minder bussen zullen gaan rijden: dit wordt tegengesproken door de informatie uit het WOB-besluit. Uit deze informatie blijkt namelijk dat er juist met méér bussen is gerekend in plaats van minder. De aantallen uit het WOB-besluit komen overeen met de prognoses uit de NSL Monitoring van het aantal bussen/busequivalenten door de Jacobsstraat voor het jaar 2015.

3. Hoe verklaart het college de tegenstrijdige verklaringen over de prognose voor het aantal bussen/busequivalenten door en rondom de Jabobsstraat in brief van de wethouder en in het WOB-besluit? Wat is nu de juiste prognose? Graag een duidelijke, met berekeningen, onderbouwde toelichting.

Antwoord: De informatie in het Wob-besluit inzake het aantal bussen is niet in tegenspraak met de aan de raad verstrekte informatie. In het Wob-besluit is de volgende zinsnede opgenomen: "Aanvullend kan nog worden opgemerkt dat er naast de busaantallen ook busequivalenten in de excelbestanden zijn opgenomen. De busequivalenten worden gebruikt voor de berekening van de luchtkwaliteit en zijn (meestal) hoger dan de busaantallen, omdat in de busequivalenten rekening is gehouden met de verhoogde uitstoot van eventuele gelede en dubbelgelede bussen". In het Wob-verzoek is gevraagd om inzage in het aantal bussen, hetgeen bij het Wob-besluit is verstrekt. Voor de volledigheid is daarnaast ook het aantal busequivalenten verstrekt, omdat de gemeente daarmee voor het eerst heeft gewerkt in de invoergegevens van de Monitoringstool2014. In de tabel hieronder is het aantal bussen op de St. Jacobsstraat opgenomen voor het jaar 2015, op basis waarvan kan worden geconstateerd dat er inderdaad sprake is van een afname van het aantal bussen.

Monitoringsronde Aantallen bussen in 2015 Aantal busequivalenten in 2015

MT2012 1.022 (VRU2.0UTR2.2) n.v.t.

MT2013 1.022 (VRU2.0UTR2.2) n.v.t.

MT2014 712 (Vru3.1u) 1135

Verder zou uit het LBP Sight rapport "Aanvullende scenario berekeningen luchtkwaliteit", d.d. 2 februari 2015 (bijlage brief mr. J.C. van Oosten d.d. 3 februari 2015) blijken dat een knip/knijp Monicabrug helemaal niet nodig is. In de twee doorgerekende situaties voor 2015, inclusief planontwikkeling, wordt zowel de knip/knijp Monicabrug als de milieuzone weggelaten. Uit de berekeningen wordt als conclusie getrokken dat er in beide situaties ruim onder de grenswaarde voor NO2 wordt gebleven.

4. Kan het college deze conclusie van uit het LBP Sight rapport helder toelichten? Graag een uitgebreide toelichting welke informatie klopt en waar het mis is gegaan in de communicatie richting de gemeenteraad dan wel richting de Raad van State.

Antwoord: Zoals onder 2 is aangegeven is door LBP|Sight gerekend met een andere rekenmethode, waardoor verschillen kunnen optreden met de NSL-Rekentool. In het gebied Weerdsingel/Oudenoord is lucht een belangrijk aandachtspunt, niet alleen voor het behalen van de grenswaarden, maar ook uit gezondheidsoverwegingen. Daarom is indertijd besloten tot het instellen van een knip Paardenveld. Het besluit om te knijpen is door het huidige college genomen, gebaseerd op het beleid Utrecht Aantrekkelijk en Bereikbaar (UAB), waarbij maatregelen worden genomen om in het centrum vooral bestemmingsverkeer te faciliteren en doorgaand verkeer door de stad zoveel mogelijk te stimuleren andere routes te kiezen. In dat kader is de knip Paardenveld uiteindelijk omgezet naar een "knijp" Monicabrug. Op basis van het luchtmeetnet kan daarnaast worden geconstateerd dat de luchtkwaliteit op de Weerdsingel verbetering behoeft.

Tot slot blijkt uit de brief van mr. J.C. van Oosten, d.d. 30 oktober 2014, dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met de toezegging van oud-wethouder Lintmeijer, geformuleerd in zijn brief d.d. 21 september 2011 n.a.v. het Rekenkamerrapport "Geen vuiltje aan de lucht".

In de brief van oud-wethouder Lintmeijer staat namelijk:"In het collegeprogramma is de afspraak gemaakt de luchtkwaliteitsgrenswaarden te zien als minimumnormen. Daarmee geeft het college al aan deze norm slechts als het afgeleide te beschouwen van het achterliggende doel van het bevorderen van een gezonde leefomgeving. Voor de zogenaamde bijna knelpuntlokaties wil ik de aanbeveling van de Rekenkamer in praktijk brengen, door per lokatie met een aanvullende pakket maatregelen te sturen op een NO2 streefwaarde van 38 ?g/m3 in 2015 in plaats van 40,5 ?g/m3.”

Echter, Mr. J.C. van Oosten schrijft in zijn brief: "De afrondingsregel in artikel 68 lid 1 Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 leidt ertoe dat een concentratie van 40,5 NO2 niet resulteert tot overschrijding van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2."

5. Kan het college verhelderen hoe het mogelijk is dat een advocaat van de gemeente, zonder mededeling aan de gemeenteraad, een toezegging van een wethouder ter zijde schuift? Wat is dan nog de waarde van een dergelijke toezegging? Graag een uitgebreide toelichting.

Antwoord: De streefwaarde van de gemeente is nog steeds van toepassing, zie hiervoor de gemeentelijke Monitoringsrapportage 2013 en de gemeentelijke Monitoringsrapportage 2014, waarin ook aandacht wordt besteed aan de potentiële grenswaarde-overschrijdingen (= overschrijding van de streefwaarde). Daarnaast is de gemeente echter bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan gehouden aan de Wet milieubeheer, waarin in artikel 16, lid a onder 1 is vastgelegd, dat een plan kan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de grenswaarde uit de Wm. Bij het onderhavige bestemmingsplan is dat aan de orde.

6. Klopt het dat er door het college niet meer vastgehouden wordt aan de streefwaarde van 38 microgram NO2 in 2015 en dat nu een streefwaarde van 40,5 ?g/m3 voldoende is? Graag een heldere toelichting.

Antwoord: Zie antwoord 5.

7. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat dubbelzinnige informatieverstrekking rondom luchtkwaliteit leidt tot frustratie onder inwoners van Utrecht en de geloofwaardigheid van de gemeente daarmee in het geding komt? Graag een heldere toelichting.

Antwoord: Het luchtdossier wordt gekenmerkt door veranderende wetgeving, jaarlijks veranderende achtergrondconcentraties/emissiefactoren en opvolgende verkeersmodellen. Daarnaast zijn in de loop der jaren onze berekeningen steeds verder verfijnd om met de berekeningen de realiteit zo goed mogelijk te benaderen (genoemd kan bijvoorbeeld worden het aantal equivalentbussen i.p.v. het aantal bussen) Voor een burger kan het daardoor lastig zijn om de gegevens op de juiste manier te interpreteren.

Eva van Esch, Partij voor de Dieren