Schrif­te­lijke vragen Toet­sings­kader Culturele Zondagen


Indiendatum: 3 jul. 2020

SV 2020/155

Op 1 juli ontvingen wij de raadsbrief ‘Toetsingskader Vernieuwing Culturele Zondagen’. Daarin wordt gesteld dat “voor de beoordeling van het plan vernieuwing Culturele Zondagen stellen we uit de adviescommissie Cultuurnota 2021-2024 een commissie samen van 5 leden bestaande uit 2 leden gespecialiseerd op cultuurparticipatie, 2 leden gespecialiseerd op marketing en communicatie en 1 lid gespecialiseerd op cultureel ondernemerschap/zakelijke kwaliteit”. Dit lijkt erop te duiden dat marketing, toerisme en economie boven cultuurparticipatie en culturele kwaliteit worden gesteld, terwijl tegelijkertijd in de raadsbrief wordt gesteld dat bij de Culturele Zondagen centraal staat: het bevorderen van cultuurparticipatie van bewoners van Utrecht.

In antwoord op eerdere schriftelijke vragen van de PvdA en de PvdD (beantwoording op 16 januari 2020) stelde ook het college zich zorgen te maken over dat het beeld ontstaat dat de culturele kant van Utrecht Marketing steeds meer een ondergeschoven kindje wordt. Door de keuze voor de samenstelling van de commissie lijkt dit beeld echter bevestigd te worden.

Wij hebben daarom de volgende vragen.

  1. Is het college het met ons eens dat de promotie van en deelname aan cultuur voorop moet staan bij de Culturele Zondagen en dat het aantrekken van nieuwe bezoekers en het verdienen aan activiteiten niet het uitgangspunt moeten zijn?
  2. Kan het college toelichten wat de reden is om 2 commissieleden aan te stellen gespecialiseerd in marketing en communicatie en 1 commissielid gespecialiseerd op cultureel ondernemerschap/zakelijke kwaliteit? Waarom is niet gekozen voor een commissielid gespecialiseerd in culturele kwaliteit?
  3. Is het niet beter om de beoordeling van het plan Vernieuwing Culturele Zondagen over te laten aan leden die gespecialiseerd zijn in cultuurparticipatie en culturele kwaliteit? Is het college bereid de samenstelling van de commissie aan te passen?
  4. Is het college bereid om in het plan zelf de cultuurparticipatie extra te benadrukken en te waarborgen?

In het toetsingskader wordt ook gesteld dat "Het plan vernieuwing Culturele Zondagen zal in nauwe samenspraak met de Utrechtse Culturele sector tot stand komen. Het plan kent hierdoor aantoonbaar breed gedragen vertrouwen van de culturele sector." Onder meer tijdens de RIB over Utrecht Marketing (19 mei 2020) en uit de schriftelijke reacties van veel meepraters daarin, bleek dat de behoeften van de culturele sector nogal verschillen. Bijvoorbeeld tussen de kleine zelfstandige makers en de grote organisaties die een eigen marketingafdeling hebben.

5. Hoe wordt de ‘nauwe samenspraak met de Utrechtse Culturele sector’ georganiseerd? Wordt de diversiteit aan meningen en behoeftes binnen de sector meegenomen en hoe gaat het college ervoor zorgen dat er een plan komt waar al die spelers allemaal vertrouwen in hebben?

6. Het toetsingskader maakt onderscheid tussen actieve en passieve cultuurparticipatie. (Overigens spreken wij liever over receptieve cultuurparticipatie dan over passieve cultuurparticipatie, want het meebeleven van culturele uitingen van kunstenaars hoeft zeker niet passief te zijn). Waarom is gekozen voor dit strikte onderscheid? Is het college het met de fracties eens dat het bezoeken van een uitvoering van een amateurgezelschap waar bijvoorbeeld een familielid in meedoet, bij uitstek een laagdrempelige kennismaking met cultuurbezoek kan zijn? En valt dit dan onder de actieve of onder de passieve/receptieve cultuurdeelname?

Ilse Raaijmakers, PvdA
Anne Sasbrink, Partij voor de Dieren
Melody Deldjou Fard, GroenLinks

Indiendatum: 3 jul. 2020
Antwoorddatum: 15 jul. 2020

SV 2020/155

Op 1 juli ontvingen wij de raadsbrief ‘Toetsingskader Vernieuwing Culturele Zondagen’. Daarin wordt gesteld dat “voor de beoordeling van het plan vernieuwing Culturele Zondagen stellen we uit de adviescommissie Cultuurnota 2021-2024 een commissie samen van 5 leden bestaande uit 2 leden gespecialiseerd op cultuurparticipatie, 2 leden gespecialiseerd op marketing en communicatie en 1 lid gespecialiseerd op cultureel ondernemerschap/zakelijke kwaliteit”. Dit lijkt erop te duiden dat marketing, toerisme en economie boven cultuurparticipatie en culturele kwaliteit worden gesteld, terwijl tegelijkertijd in de raadsbrief wordt gesteld dat bij de Culturele Zondagen centraal staat: het bevorderen van cultuurparticipatie van bewoners van Utrecht.

In antwoord op eerdere schriftelijke vragen van de PvdA en de PvdD (beantwoording op 16 januari 2020) stelde ook het college zich zorgen te maken over dat het beeld ontstaat dat de culturele kant van Utrecht Marketing steeds meer een ondergeschoven kindje wordt. Door de keuze voor de samenstelling van de commissie lijkt dit beeld echter bevestigd te worden.

Wij hebben daarom de volgende vragen.

1. Is het college het met ons eens dat de promotie van en deelname aan cultuur voorop moet staan bij de Culturele Zondagen en dat het aantrekken van nieuwe bezoekers en het verdienen aan activiteiten niet het uitgangspunt moeten zijn?

Centraal in het toetsingskader en dus voor de Culturele zondagen staat: het bevorderen van cultuurparticipatie van bewoners van Utrecht. Met name t.b.v. de ondervertegenwoordigde groepen in het huidige cultuurbezoek. Dat zijn onzes inziens veelal ‘nieuwe bezoekers’. Hier is vanzelfsprekend promotie voor nodig. Dat we het woord promotie niet gebruiken in dit toetsingskader is bewust om als opdrachtgever een duidelijke scheiding te maken met de andere taak van de culturele opdracht aan Utrecht Marketing: promotie van het cultureel aanbod door bijvoorbeeld de UitAgenda. Kortom, in andere bewoording concluderen wij hetzelfde. We zijn het met u eens dat ‘het verdienen aan de activiteiten’ en het ‘trekken van zoveel mogelijk bezoekers’ niet het uitgangspunt is.

2. Kan het college toelichten wat de reden is om 2 commissieleden aan te stellen gespecialiseerd in marketing en communicatie en 1 commissielid gespecialiseerd op cultureel ondernemerschap/zakelijke kwaliteit? Waarom is niet gekozen voor een commissielid gespecialiseerd in culturele kwaliteit?

Alle commissieleden zijn gespecialiseerd in cultuur en culturele kwaliteit. Sterker nog, de
commissieleden zijn geworven uit pool van commissieleden van de Cultuurnota 2020-2024. De benoemde specialismes die zijn benoemd zijn een specialisatie op een algemene basis van ervaring in de culturele sector. In het toetsingskader is dat niet uitvoering benoemd omdat het geschreven is als document tussen ons als opdrachtgever en een mogelijke opdrachtnemer waarvan we kunnen uitgaan dat dit een gegeven is.

3. Is het niet beter om de beoordeling van het plan Vernieuwing Culturele Zondagen over te laten aan leden die gespecialiseerd zijn in cultuurparticipatie en culturele kwaliteit? Is het college bereid de samenstelling van de commissie aan te passen?

Zie antwoord vraag 2.

4. Is het college bereid om in het plan zelf de cultuurparticipatie extra te benadrukken en te waarborgen?

Omdat het gaat om een opdrachtrelatie schrijven wij niet zelf het plan, maar doet Utrecht marketing dat als opdrachtnemer. Daarom werken we met een toetsingskader. Wat ons betreft maakt dat toetsingskader helder dat cultuurparticipatie de spil is van deze opdracht.

In het toetsingskader wordt ook gesteld dat "Het plan vernieuwing Culturele Zondagen zal in nauwe samenspraak met de Utrechtse Culturele sector tot stand komen. Het plan kent hierdoor aantoonbaar breed gedragen vertrouwen van de culturele sector." Onder meer tijdens de RIB over Utrecht Marketing (19 mei 2020) en uit de schriftelijke reacties van veel meepraters daarin, bleek dat de behoeften van de culturele sector nogal verschillen. Bijvoorbeeld tussen de kleine zelfstandige makers en de grote organisaties die een eigen marketingafdeling hebben.

5. Hoe wordt de ‘nauwe samenspraak met de Utrechtse Culturele sector’ georganiseerd? Wordt de diversiteit aan meningen en behoeftes binnen de sector meegenomen en hoe gaat het college ervoor zorgen dat er een plan komt waar al die spelers allemaal vertrouwen in hebben?

Wij sturen in datzelfde toetsingskader nadrukkelijk op de samenspraak met en vertrouwen van de culturele sector. Ook hierop worden de plannen getoetst.

6. Het toetsingskader maakt onderscheid tussen actieve en passieve cultuurparticipatie. (Overigens spreken wij liever over receptieve cultuurparticipatie dan over passieve cultuurparticipatie, want het meebeleven van culturele uitingen van kunstenaars hoeft zeker niet passief te zijn). Waarom is gekozen voor dit strikte onderscheid? Is het college het met de fracties eens dat het bezoeken van een uitvoering van een amateurgezelschap waar bijvoorbeeld een familielid in meedoet, bij uitstek een laagdrempelige kennismaking met cultuurbezoek kan zijn? En valt dit dan onder de actieve of onder de passieve/receptieve cultuurdeelname?

Wij delen uw standpunt over receptieve cultuurparticipatie en kunnen de term van u overnemen. Dit onderscheid is wat ons betreft niet zo strikt als u stelt, maar is juist gekozen voor een theoretisch kader waarmee we uitleggen welke nadruk wij leggen. Voorop staat het feit dat iemand die meedoet met een amateurgezelschap, dat voor de eerste keer doet omdat hij/zij daartoe heeft kunnen komen door een slimme strategie van de uitvoerder van de Culturele Zondagen. Het is mooi als organisaties mensen weten te overtuigen tot actieve cultuurparticipatie, maar ook dat dat ertoe leidt dat familieleden aan receptieve cultuurparticipatie gaan doen. Kortom, de twee vullen elkaar aan en zijn niet strikt gescheiden.

Ilse Raaijmakers, PvdA
Anne Sasbrink, Partij voor de Dieren
Melody Deldjou Fard, GroenLinks