Schrif­te­lijke vragen Biomassa asfalt­cen­trale Lage Weide - vervolg


Indiendatum: 9 dec. 2020

Schriftelijke vragen 281/2020

Op woensdag 18 november werd de raad per brief nader ingelicht over de aanvraag voor een op biomassa gestookte asfaltcentrale op Lage Weide. Er is geen juridische grond om de aanvraag te weigeren, schrijft het college. Wel zijn een aantal aanvullende voorwaarden gesteld. Voor het college is biomassa het minst acceptabele alternatief voor op gasgestookte centrales, voor onze fracties is biomassa geen acceptabel alternatief. Volgens de genoemde raadsbrief zou de asfaltcentra alleen biomassa mogen verbranden die afkomstig is van duurzaam beheerd bos. Dat lijkt goed, maar recent onderzoek van Investico wijst uit dat onder deze noemer hout uit beschermd, kaalgekapt bos (inclusief volledige bomen) uit Estland terechtkomt in Nederlandse verbrandingsovens. Het criterium ‘duurzaam beheerd bos’ is hiermee een vorm van greenwashing geworden. Dit botst met de uitspraak dat: “De huidige praktijk is dat de, door de asfaltcentrale gebruikte, houtpellets worden gemaakt van restmateriaal uit de houtverwerkende industrie en niet gemaakt worden van boomstammen” (bron: schriftelijke vragen 129/2020).

Onze fracties hebben daarom de volgende vragen:

1. Wat is nu het geval: gaat er alleen resthout in de biomassaoven van de asfaltcentrale of gaat het ook om hout uit kaalgekapt bos, waaronder hele bomen en boomstammen? Overigens heeft ook restmateriaal een functie voor de lokale biodiversiteit in het bos.

2. Weet het college in welke regio de “duurzaam beheerde” bossen zich bevinden? Gaat het hier om genoemd hout uit Estland? Voor het milieu maakt het daarbij veel uit of het hout uit de regio of uit Noord-Amerika of Baltische Staten komt. Overigens hebben zowel regionale als verre bossen elk hun nadelen.

3. Mocht blijken dat in de asfaltcentrale toch massaal gekapt hout of complete boomstammen uit duurzaam beheerd bos wordt, of gaat worden, verbrand, is het college dan bereid om dit te voorkomen, bijvoorbeeld via de vergunning? Zo nee, waarom niet?

4. Terzijde: mocht blijken dat de biomassacentrale van Eneco op Lage Weide toch massaal gekapt hout of complete boomstammen uit duurzaam beheerd bos wordt, of gaat worden, verbrand, is het college dan bereid om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

5. Terug naar de asfaltcentrale. De verwijzing naar subsidievoorwaarden voor SDE (Rijkssubsidie voor duurzame energie) is geschrapt. Betekent dit dat er geen cent gemeenschapsgeld naar de genoemde biomassacentrale gaat? Zo nee, hoeveel subsidie gaat er naar de centrale en wie betaalt deze?

6. In hoeverre is overwogen en/of heeft het college voorgesteld om de asfaltcentrale op lage temperatuur te laten draaien? Immers, ook bij lage temperatuur kan asfalt gemaakt en/of bewerkt worden en kan een andere energiebron dan gas en houtige biomassa gebruikt worden.

7. De aanvragers van de vergunning hebben getwijfeld om hun aanvraag door te zetten vanwege het maatschappelijk debat over biomassa. Waarom hebben ze hun aanvraag toch doorgezet?

8. Ziet het college naar aanleiding van hun overwegingen en hun uiteindelijke besluit nog aanknopingspunten om opnieuw in gesprek te gaan met de aanvragers om ze op andere gedachten te brengen en is het daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?

9. De Tweede Kamer heeft inmiddels per aangenomen motie (Motie Van Raan/Van Haga, 27 okt 2020) het kabinet verzocht “zo min mogelijk biomassacentrales mogelijk te maken en concreet aan te geven hoe zij de wildgroei aan biomassacentrales gaat voorkomen”. Ziet het college in deze motie alsook het maatschappelijk debat uit vraag 7, redenen om vanaf nu geen vergunningen voor biomassacentrales in Utrecht in behandeling te nemen en te verlenen? Zo nee, waarom niet?

10. Als het college juridisch gezien vergunningen voor biomassacentrales in behandeling moet nemen, is het college bereid om proactief te communiceren dat nieuwe aanvragen voor vergunningen in Utrecht niet welkom zijn? Zo nee, waarom niet?

11. Het college benoemt biomassa als een tijdelijke transitiebrandstof. Wanneer komt het college tot de opvatting dat de tijdelijkheid voorbij is en dat biomassa geen optie meer is? Wat is hiervoor nodig?

Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Cees Bos, Stadsbelang Utrecht
Henk van Deún, PVV

Indiendatum: 9 dec. 2020
Antwoorddatum: 19 jan. 2021

Schriftelijke vragen 281/2020

Op woensdag 18 november werd de raad per brief nader ingelicht over de aanvraag voor een op biomassa gestookte asfaltcentrale op Lage Weide. Er is geen juridische grond om de aanvraag te weigeren, schrijft het college. Wel zijn een aantal aanvullende voorwaarden gesteld. Voor het college is biomassa het minst acceptabele alternatief voor op gasgestookte centrales, voor onze fracties is biomassa geen acceptabel alternatief. Volgens de genoemde raadsbrief zou de asfaltcentra alleen biomassa mogen verbranden die afkomstig is van duurzaam beheerd bos. Dat lijkt goed, maar recent onderzoek van Investico wijst uit dat onder deze noemer hout uit beschermd, kaalgekapt bos (inclusief volledige bomen) uit Estland terechtkomt in Nederlandse verbrandingsovens. Het criterium ‘duurzaam beheerd bos’ is hiermee een vorm van greenwashing geworden. Dit botst met de uitspraak dat: “De huidige praktijk is dat de, door de asfaltcentrale gebruikte, houtpellets worden gemaakt van restmateriaal uit de houtverwerkende industrie en niet gemaakt worden van boomstammen” (bron: schriftelijke vragen 129/2020).

Onze fracties hebben daarom de volgende vragen:

1. Wat is nu het geval: gaat er alleen resthout in de biomassaoven van de asfaltcentrale of gaat het ook om hout uit kaalgekapt bos, waaronder hele bomen en boomstammen? Overigens heeft ook restmateriaal een functie voor de lokale biodiversiteit in het bos.

In de asfaltcentrale wordt asfalt gemaakt dat een zeer hoge temperatuur vereist (800 °C) en een zeer gecontroleerd proces van verbranding. Dit is alleen te bereiken door een brandstof van precieze consistentie. Dit kan fossiele brandstof zijn of houtpellets. In de raadsbrief van 9 januari 2020 is duurzaamheid van de pellets toegelicht. Pellets zijn samengeperste korrels van laagwaardig hout en
geen boomstammen. In de omgevingsvergunning is als eis opgenomen dat alleen biomassa met NTA8080 (ofwel ‘Better Biomass’ of vergelijkbaar) certificering mag worden toegepast. Deze certificering is ook nodig voor de
SDE+ subsidie. Deze hoogst haalbare certificering garandeert dat alleen biomassa uit duurzaam beheerd bos gebruikt mag worden. De certificering zorgt voor een minimale eis van 70% CO2 reductie en alle vastgelegde eisen rondom het bewaken van de biodiversiteit en bodemverbetering in de bossen. De gemeente Utrecht vindt een aantal zaken rondom het gebruik van biomassa van belang zoals ook blijkt uit de raadsbrief Visie op de Biomassa en uit uw motie 300. De gemeente volgt het richtinggevend advies en het duurzaamheidskader van de Sociaal Economische Raad van 6 juli 2020 voor de inzet van biomassa. Hierin wordt uitgegaan van de inzet van hoogwaardige biomassa voor hoogwaardige toepassingen. Energieopwekking is daarbij een laagwaardige toepassing.

2. Weet het college in welke regio de “duurzaam beheerde” bossen zich bevinden? Gaat het hier om genoemd hout uit Estland? Voor het milieu maakt het daarbij veel uit of het hout uit de regio of uit Noord-Amerika of Baltische Staten komt. Overigens hebben zowel regionale als verre bossen elk hun nadelen.

Op dit moment komen de meeste gecertificeerde pellets uit Europese landen. Volgens het op 9 januari 2020 aan u verzonden rapport van CE zijn de Baltische staten, waaronder Estland, een belangrijke leverancier van gecertificeerde pellets. Ook op de website van de NTA8080 certificering is terug te vinden welke bedrijven hieraan voldoen.

3. Mocht blijken dat in de asfaltcentrale toch massaal gekapt hout of complete boomstammen uit duurzaam beheerd bos wordt, of gaat worden, verbrand, is het college dan bereid om dit te voorkomen, bijvoorbeeld via de vergunning? Zo nee, waarom niet?

De waarde van hele boomstammen is veel hoger dan die van pellets. Het gaat dan ook tegen de economische logica in om voor bouwhout geschikte boomstammen te versnipperen of tot pellets te verwerken. Zolang de pellets aantoonbaar afkomstig zijn uit duurzaam beheerd bos, moeten wij verbranding van deze pellets toestaan. Wij hebben er vertrouwen in dat het systeem van certificering goed werkt. De certificeringsschema’s volgen ook het duurzaamheidskader zoals weergegeven in het advies van de SER, waarmee hoogwaardige biomassa voor hoogwaardige producten wordt ingezet. Via de vergunning kunnen wij niet sturen op het type hout dat gebruikt wordt voor productie van de pellets anders dan al geregeld wordt via de certificering.

4. Terzijde: mocht blijken dat de biomassacentrale van Eneco op Lage Weide toch massaal gekapt hout of complete boomstammen uit duurzaam beheerd bos wordt, of gaat worden, verbrand, is het college dan bereid om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

De BioWarmte Installatie van Eneco is technisch zo afgesteld dat alleen een vaste mix van chips en shreds verbrand kunnen worden. Het is technisch niet mogelijk om ander type hout te verbranden. Over de BWI wordt jaarlijks gerapporteerd. Deze rapportage is recent aan u verzonden. Uit de rapportage blijkt dat Eneco in centrale alleen afvalstromen (chips en shreds) verbrandt. Ook is de certificering van de centrale in deze rapportage aangetoond.

5. Terug naar de asfaltcentrale. De verwijzing naar subsidievoorwaarden voor SDE (Rijkssubsidie voor duurzame energie) is geschrapt. Betekent dit dat er geen cent gemeenschapsgeld naar de genoemde biomassacentrale gaat? Zo nee, hoeveel subsidie gaat er naar de centrale en wie betaalt deze?

De verwijzing naar de SDE-subsidie is geschrapt, omdat deze overbodig was. De voorwaarden die wij zelf stellen in de vergunning zijn vergelijkbaar. Er is nog steeds SDE-subsidie nodig om energieproductie uit biomassa concurrerend te maken met het gebruik van fossiel olie en gas (waar andere asfaltcentrales op draaien). De SDE-subsidie wordt verleend door het rijk. Omdat de subsidie nog niet is aangevraagd, is de omvang van de subsidie niet bekend. Wel is al een Europese subsidie uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) toegekend via het ‘Kansen voor West II’ programma. Deze subsidie is beschikt op € 4.670.000,- Hiervan wordt € 3.502.500,- betaald uit het EFRO en € 1.167.500 uit de door het Ministerie van EZK beschikbaar gestelde rijkscofinanciering.

6. In hoeverre is overwogen en/of heeft het college voorgesteld om de asfaltcentrale op lage temperatuur te laten draaien? Immers, ook bij lage temperatuur kan asfalt gemaakt en/of bewerkt worden en kan een andere energiebron dan gas en houtige biomassa gebruikt worden.

Afgezien van biomassa zijn ons geen beschikbare duurzame energiebronnen bekend die geschikt zijn voor de productie van asfalt, waarbij op hoge temperatuur gerecycled asfalt gesmolten moet worden en ook de daarbij komende geurstoffen op hoge temperatuur verbrand moeten worden in de
thermische naverbrander. Deze processen zijn, voor zover ons bekend, niet mogelijk op een (te) lage temperatuur. De asfaltcentrale is overigens wel in staat om asfalt te produceren dat bij lagere temperaturen toegepast kan worden. Dit leidt tot een lager energieverbruik bij het aanleggen of repareren van asfaltwegen.

7. De aanvragers van de vergunning hebben getwijfeld om hun aanvraag door te zetten vanwege het maatschappelijk debat over biomassa. Waarom hebben ze hun aanvraag toch doorgezet?

De wijziging van de vergunning betrof niet alleen de overstap van aardgas naar biomassa. De nieuwe vergunning ging uit van een heel ander bouwkundig ontwerp dat beter past bij de wensen van de initiatiefnemers en omwonenden. Dit ontwerp is meer toekomstbestendig voor het gebruik van verschillende soorten brandstoffen: biomassa, waterstof of toch aardgas. De initiatiefnemers hebben ons bij navraag laten weten dat in hun afweging de voorkeur voor het bouwkundig ontwerp de doorslag heeft gegeven.

8. Ziet het college naar aanleiding van hun overwegingen en hun uiteindelijke besluit nog aanknopingspunten om opnieuw in gesprek te gaan met de aanvragers om ze op andere gedachten te brengen en is het daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?

Nee. De omgevingsvergunning is verleend en deze kunnen wij niet meer intrekken. Wij staan achter de keuze van de initiatiefnemers, omdat biomassa de minst wenselijke vorm van duurzame energie is, maar nog altijd te verkiezen boven aardgas mits onder voorwaarden zoals ook in de raadsbrief Visie op de Biomassa aangegeven.

9. De Tweede Kamer heeft inmiddels per aangenomen motie (Motie Van Raan/Van Haga, 27 okt 2020) het kabinet verzocht “zo min mogelijk biomassacentrales mogelijk te maken en concreet aan te geven hoe zij de wildgroei aan biomassacentrales gaat voorkomen”. Ziet het college in deze motie alsook het maatschappelijk debat uit vraag 7, redenen om vanaf nu geen vergunningen voor biomassacentrales in Utrecht in behandeling te nemen en te verlenen? Zo nee, waarom niet?

Het rijk kan met de SDE-subsidie sturen op de groei van gewenste en ongewenste vormen van gebruik van biomassa. Zonder subsidie is de inzet van biomassa voor energieproductie op dit moment namelijk economisch niet haalbaar. Onze rol als gemeente is om vergunningaanvragen te behandelen
en toe te zien op handhaving van verleende vergunningen. Als een initiatief past binnen een bestemmingsplan en de vigerende regelgeving, dan is er geen juridische grondslag om de vergunningaanvraag te weigeren. In het geval van de ACLW hebben we in de vergunning wel voorwaarden opgenomen die het gebruik van biomassa duurzamer maken dan verplicht conform de landelijk bepaalde regels.

10. Als het college juridisch gezien vergunningen voor biomassacentrales in behandeling moet nemen, is het college bereid om proactief te communiceren dat nieuwe aanvragen voor vergunningen in Utrecht niet welkom zijn? Zo nee, waarom niet?

Met Motie 2019/300 heeft uw raad ons opgeroepen om ons in de U16 in te spannen om (1) biomassa te benoemen als minst wenselijke optie, (2) aan te geven dat voor de stad Utrecht biomassa alleen acceptabel is als we rekening houden met de mondiale CO2-balans, de effecten van biomassa op de luchtkwaliteit, de gehele keten van biomassa in ogenschouw te nemen en (3) in het geval er hout gebruikt wordt, alleen gecertificeerde biomassa uit duurzaam beheerd bos van Europese herkomst te gebruiken. In onze communicatie volgen wij de lijn van deze motie. Er zijn nog onvoldoende
alternatieve duurzame energiebronnen voor handen, waardoor wij het gebruik van biomassa niet categorisch af kunnen wijzen.

11. Het college benoemt biomassa als een tijdelijke transitiebrandstof. Wanneer komt het college tot de opvatting dat de tijdelijkheid voorbij is en dat biomassa geen optie meer is? Wat is hiervoor nodig?

Biomassa kan vervangen worden als er een beschikbaar en betaalbaar duurzaam alternatief is. Het is nu niet te voorspellen wanneer dat zal zijn. Dit is afhankelijk van innovatieve ontwikkelingen en politieke keuzes. Zo stuurt het rijk met onder andere de SDE-subsidie op de betaalbaarheid van duurzame energiebronnen. De beschikbaarheid van alternatieven wordt bepaald door bijvoorbeeld de geschiktheid van de ondergrond (in het geval van aardwarmte voor de stadsverwarming) en overschotten aan groene stroom (die de productie van groen waterstof voor bijvoorbeeld de asfaltcentrale rendabeler zou kunnen maken). Zoals u weet steunen wij het onderzoek naar gebruik van de ondergrond voor aardwarmte en doen wij ook ons best om in Utrecht zoveel mogelijk duurzame elektriciteit te produceren.

Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Cees Bos, Stadsbelang Utrecht
Henk van Deún, PVV