Schrif­te­lijke vragen Biomassa en kwali­teits­ver­klaring Stads­ver­warming


Indiendatum: 14 okt. 2020

Schriftelijke vragen 240/2020

Biomassa als vorm van duurzame energie ligt steeds meer onder vuur, en per raadsbrief d.d. 22 juli 2020 geeft het college aan biomassa als tijdelijke oplossing te beschouwen. Ondertussen neemt het gebruik van biomassa in Utrecht wel toe. Inmiddels is een tweede biomassacentrale in onze gemeente vergund. En ook wordt het Utrechtse netwerk van stadsverwarming uitgebreid en neemt het aandeel van biomassa daarbinnen toe, volgens een infographic van Eneco momenteel 40%.

Los van de vraag hoe duurzaam het verbranden van houtmassa is (denk aan het leeghalen van bossen, het vervoer van bomen per boot en truck, de invloed van verbranding op luchtkwaliteit), heeft biomassa een ander negatief effect op de Utrechtse duurzaamheidsambities. Want doordat het college de kwaliteitsverklaring met betrekking tot het Equivalent Opwekkings Rendement (EOR) voor het warmtenet van Utrecht en Nieuwegein accepteert als onderbouwing voor de EPC-berekeningen (zie raadsbrief van 6 september 2019), is het aansluiten van nieuwbouw op stadsverwarming een stuk aantrekkelijker. Andere duurzaamheidsmaatregelen als bijvoorbeeld meer isolatie of andere technieken (bijv. zonnepanelen en lage temperatuur verwarming), zijn dan in mindere mate nodig om aan de opgelegde EPC/BENG-eis te voldoen. Nu de discussie over biomassa als energiebron volop gevoerd wordt, willen onze fracties nog even stilstaan bij de kwaliteitsverklaring. En wel met de volgende vragen:

1. Is het college het met ons eens dat een kwaliteitsverklaring waarin een hoog EOR van het warmtenet wordt aangegeven, ertoe leidt dat andere duurzaamheidsmaatregelen minder nodig zijn om aan de EPC/BENG-eis te voldoen?

2. In hoeverre klopt ons idee dat het hoge EOR in de kwaliteitsverklaring gebaseerd is op de aanname dat het warmtenet voor 40% of meer gevoed wordt met biomassa?

3. In hoeverre klopt onze indruk dat de berekening van het EOR door Eneco zo gunstig is vanwege de inmiddels veel bestreden stelling dat biomassa duurzaam is (de claim is immers dat verbranding van biomassa per saldo geen CO2 uitstoot omdat door aanplant en groei van vervangende bomen net zoveel CO2 opgenomen wordt als bij verbranding vrijkomt)?

4. In hoeverre is het college het eens met het inzicht dat de door Eneco opgestelde gelijkwaardigheidsverklaring niet reëel en dus te hoog is, gezien het feit dat de duurzaamheid van biomassa met steeds meer succes weerlegd wordt (het duurt immers jaren voordat de CO2-uitstoot van nu verbrande bomen door nieuwe bomen is opgenomen, zie ook het artikel van 35 wetenschappers in Trouw d.d. 10 oktober 2020)?

5. In hoeverre heeft het college de gelijkwaardigheidsverklaring en de onderbouwing daarvan laten controleren door een onafhankelijke expert, niet zijnde Eneco zelf of het Bureau CRG (dat een private Besloten Vennootschap is en geen overheidsinstelling)? Zo ja, is het college bereid de bevindingen van die onafhankelijke expert met de raad te delen?

6. Bij de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen (66/2018) heeft college laten weten dat er een second opinion is uitgevoerd. Is het college bereid om die met de gemeenteraad te delen?

7. Het college zegt bij SV 66/2018 de gelijkwaardigheidsverklaring te moeten accepteren. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zegt echter: “De gemeente bepaalt uiteindelijk zelf of ze een (gecontroleerde) kwaliteitsverklaring accepteert of niet. Ze kunnen de databank gebruiken voor advies.” En ook volgens een uitspraak van de Raad van State zijn gemeenten niet verplicht om de verklaring te accepteren (ECLI:NL:RVS:2010:BN0448). Kan het college uitleggen waarom ze toch nog meent dat ze de kwaliteitsverklaring van Eneco moet accepteren?

8. En in het verlengde van de vorige vraag: is het college bereid om een reëler, lager EOR te gaan hanteren, ook met als doel dat bij nieuwbouw andere duurzaamheidsmaatregelen genomen moeten worden? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?

9. Het gebruik van biomassa is volgens het college een “tijdelijke oplossing”, maar er worden wel steeds meer woningen op stadsverwarming aangesloten, die door acceptatie van de hoge EOR ook nog eens diverse energiebesparende maatregelen ontberen. Wat betekent dit voor de ambitie van Utrecht om zo snel mogelijk klimaatneutraal te worden? En hoe afhankelijk maakt Utrecht zich hiermee van een tijdelijke energiebron voor een veel langere termijn?

Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Cees Bos, Stadsbelang Utrecht

Indiendatum: 14 okt. 2020
Antwoorddatum: 10 nov. 2020

Schriftelijke vragen 240/2020

Biomassa als vorm van duurzame energie ligt steeds meer onder vuur, en per raadsbrief d.d. 22 juli 2020 geeft het college aan biomassa als tijdelijke oplossing te beschouwen. Ondertussen neemt het gebruik van biomassa in Utrecht wel toe. Inmiddels is een tweede biomassacentrale in onze gemeente vergund. En ook wordt het Utrechtse netwerk van stadsverwarming uitgebreid en neemt het aandeel van biomassa daarbinnen toe, volgens een infographic van Eneco momenteel 40%.

Los van de vraag hoe duurzaam het verbranden van houtmassa is (denk aan het leeghalen van bossen, het vervoer van bomen per boot en truck, de invloed van verbranding op luchtkwaliteit), heeft biomassa een ander negatief effect op de Utrechtse duurzaamheidsambities. Want doordat het college de kwaliteitsverklaring met betrekking tot het Equivalent Opwekkings Rendement (EOR) voor het warmtenet van Utrecht en Nieuwegein accepteert als onderbouwing voor de EPC-berekeningen (zie raadsbrief van 6 september 2019), is het aansluiten van nieuwbouw op stadsverwarming een stuk aantrekkelijker. Andere duurzaamheidsmaatregelen als bijvoorbeeld meer isolatie of andere technieken (bijv. zonnepanelen en lage temperatuur verwarming), zijn dan in mindere mate nodig om aan de opgelegde EPC/BENG-eis te voldoen. Nu de discussie over biomassa als energiebron volop gevoerd wordt, willen onze fracties nog even stilstaan bij de kwaliteitsverklaring. En wel met de volgende vragen:

1. Is het college het met ons eens dat een kwaliteitsverklaring waarin een hoog EOR van het warmtenet wordt aangegeven, ertoe leidt dat andere duurzaamheidsmaatregelen minder nodig zijn om aan de EPC/BENG-eis te voldoen?

Dit klopt gedeeltelijk. Onder de EPC-eisen van het Bouwbesluit zal een aanvrager, die gaat voor minimale kwaliteit en kiest voor stadsverwarming, met een hoge EOR voor stadsverwarming sneller voldoen aan de EPC-eisen, zie onze raadsbrief Nieuwe Gelijkwaardigheidsverklaring Warmtenet (6 september 2019). Met de invoering van de BENG-eis (ingang 1 januari 2021) verandert dit omdat maatregelen voor isolatie worden losgekoppeld van het verwarmingssysteem, zoals ook in de raadsbrief is aangegeven. Een hoge EOR voor stadsverwarming leidt dan niet tot minder maatregelen aan het gebouw. De prestatie van de warmtenetten wordt onder de BENG weergegeven volgens de PEF (primaire energiefactor) en over het percentage duurzaamheid wordt los gerapporteerd. In de
gelijkwaardigheidsverklaring kunt u de huidige gehanteerde waarden terugvinden. Onze beleidswensen zijn verwoord in de Visie op de Warmtevoorziening (2 november 2017). Daarin staat dat we bij nieuwbouw uitgaan van lage- temperatuur- afgiftesystemen. De uitgangspunten voor energie bij nieuwbouw zijn verder uitgewerkt in het energieprotocol (raadsbrief Utrechts Energieprotocol, 8 april 2020).

2. In hoeverre klopt ons idee dat het hoge EOR in de kwaliteitsverklaring gebaseerd is op de aanname dat het warmtenet voor 40% of meer gevoed wordt met biomassa?

Dit klopt deels. Het equivalent opwekkings-rendement wordt door veel processen bepaald en volgens NEN 7125 (Energieprestatienorm voor maatregelen op gebiedsniveau – EMG) bepaald. Een percentage van 40% biomassa levert zeker een bijdrage aan het opwekkingsrendement. Naast de Biowarmteinstallatie produceert Eneco ook warmte via de elektriciteitscentrales en hulpketels. De warmteproductie is onderdeel van de totale keten op basis waarop het opwekkingsrendement wordt bepaald. Alle bijdragen aan energiegebruik en -verlies van het warmtenet tellen mee in de berekening: nuttige warmtelevering (bijvoorbeeld afvalwarmte of collectieve zonneboilers), distributie-verliezen in
het leidingnet en rendementen van de opwekking tot aan de perceelgrens.

3. In hoeverre klopt onze indruk dat de berekening van het EOR door Eneco zo gunstig is vanwege de inmiddels veel bestreden stelling dat biomassa duurzaam is (de claim is immers dat verbranding van biomassa per saldo geen CO2 uitstoot omdat door aanplant en groei van vervangende bomen net zoveel CO2 opgenomen wordt als bij verbranding vrijkomt)?

Dit klopt niet. Het gunstige effect komt omdat biomassa als hernieuwbaar wordt gewaardeerd in de NEN 7125 van het Bouwbesluit. De berekening van Eneco heeft hier geen invloed op, die is in lijn met deze wijze waarop biomassa onder de NEN 7125 wordt gewaardeerd. De waardering van de duurzaamheid van biomassa is in lijn met de Europese afspraken over hernieuwbare energie en worden bevestigd door de onderzoeken over de duurzaamheid van biomassa die in de afgelopen jaren zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld in opdracht van de Gemeente of het Rijk.

4. In hoeverre is het college het eens met het inzicht dat de door Eneco opgestelde gelijkwaardigheidsverklaring niet reëel en dus te hoog is, gezien het feit dat de duurzaamheid van biomassa met steeds meer succes weerlegd wordt (het duurt immers jaren voordat de CO2-uitstoot van nu verbrande bomen door nieuwe bomen is opgenomen, zie ook het artikel van 35 wetenschappers in Trouw d.d. 10 oktober 2020)?

Wij zijn het hier niet mee eens. De huidige EOR (Equivalent opwekkingsrendement) van het
warmtenet van Eneco is reëel en niet te hoog. In werkelijkheid haalt Eneco dan ook een hogere EOR dan de minimale die zij volgens de kwaliteitsverklaring moeten halen. Deze werkelijke waarden kunnen wij opmaken uit de periodieke rapportages van Eneco over de EOR. Door het gebruik van de elektriciteitscentrale (op aardgas) als centrale bron voor de warmte is het behaalde rendement 150%. De EOR geeft de verhouding aan tussen warmte die geleverd wordt door een warmtenet en de totale hoeveelheid primaire energie (fossiele brandstof) die hiervoor gebruikt is. Hoe hoger de EOR van een warmtenet, hoe minder primaire (fossiele) energie gebruikt wordt voor het leveren van dezelfde hoeveelheid warmte, dus hoe duurzamer het net. Het percentage is weergegeven ten opzichte van het gebruik van individuele gasketels voor de opwekking van warmte. De verklaring van Eneco en alle andere warmtenetten van Nederland gebeurt volgens de in het bouwbesluit vastgelegde methode in NEN7125. Deze is in lijn met de Europese afspraken over hernieuwbaarheid. In vergelijking met andere warmtenetten van Nederland heeft het warmtenet van Eneco geen hoge EOR. In de rangschikking van de EOR van de netten die bij BCRG staan geregistreerd, welke jaarlijks door Greenvis wordt gepubliceerd, staat -van de 24 berekende warmtenetten- de EOR van Eneco op de 22ste plek. Indien als gevolg van het SER-advies over biomassa op landelijk niveau wordt besloten om via het Bouwbesluit de NEN 7125 hierop aan te passen, stelt Eneco de kwaliteitsverklaring en de onderliggende berekening opnieuw op en zal de
kwaliteitsverklaring door ons opnieuw worden bekeken. Over onze visie voor de duurzaamheid van biomassa verwijzen wij u naar de naar raadsbrief Visie biomassagebruik in Utrecht (22 juli 2020) die u eerder heeft ontvangen.

5. In hoeverre heeft het college de gelijkwaardigheidsverklaring en de onderbouwing daarvan laten controleren door een onafhankelijke expert, niet zijnde Eneco zelf of het Bureau CRG (dat een private Besloten Vennootschap is en geen overheidsinstelling)? Zo ja, is het college bereid de bevindingen van die onafhankelijke expert met de raad te delen?

Dat hebben we niet gedaan. Zoals we u eerder gemeld hebben in raadsbrief Nieuwe
Gelijkwaardigheidsverklaring Warmtenet (6 september 2019), zijn de gelijkwaardigheidsverklaring en onderbouwingen alleen gecontroleerd door de onafhankelijke experts van het College gelijkwaardigheid energieprestatie (CGE) van het Bureau Controle en Registratie Gelijkwaardigheid (BCRG). Het Bouwbesluit biedt de mogelijkheid om innovatieve technieken toe te passen via kwaliteits- en gelijkwaardigheidsverklaringen. Het College van Gelijkwaardigheid is een door de Rijksoverheid geïnitieerde organisatie waar het beoordelen van innovatieve technieken op kwaliteit en gelijkwaardigheid volgens het Bouwbesluit is belegd. Het College bestaat uit een groep van onafhankelijke deskundigen die geen binding hebben met de fabrikanten of leveranciers en volgens een vaste procedure werken. De gelijkwaardigheidsverklaringen zijn in een openbare database opgenomen. Wij zien geen reden om aan de berekeningen of de controle van het Bureau CRG te twijfelen.

6. Bij de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen (66/2018) heeft college laten weten dat er een second opinion is uitgevoerd. Is het college bereid om die met de gemeenteraad te delen?

U heeft de second opinion al ontvangen, zie de geheime bijlage bij de Commissiebrief Duiding vragen en antwoorden Stadsverwarming (18 maart 2016).

7. Het college zegt bij SV 66/2018 de gelijkwaardigheidsverklaring te moeten accepteren. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zegt echter: “De gemeente bepaalt uiteindelijk zelf of ze een (gecontroleerde) kwaliteitsverklaring accepteert of niet. Ze kunnen de databank gebruiken voor advies.” En ook volgens een uitspraak van de Raad van State zijn gemeenten niet verplicht om de verklaring te accepteren (ECLI:NL:RVS:2010:BN0448). Kan het college uitleggen waarom ze toch nog meent dat ze de kwaliteitsverklaring van Eneco moet accepteren?

Zoals besproken in de raadsbrief van 6 september 2019 mogen aanvragers de in de landelijke openbare databank opgenomen kwaliteitsverklaringen gebruiken bij het indienen van omgevingsvergunningaanvragen. Als de gemeente een gelijkwaardigheidsverklaring niet wil accepteren dan dient een gemeente het adequaat te beargumenteren waarom dat zo is. Dit kan bijvoorbeeld als de verklaring niet correct is opgesteld, niet van toepassing is op Utrechtse stadswarmte of als er structureel niet meer wordt voldaan aan de gelijkwaardigheidsverklaring. Dit is niet aan de orde.

De gemeente heeft in 2016 met Eneco aanvullende afspraken gemaakt over het opstellen, gebruiken en monitoren van de kwaliteitsverklaring (raadsbrief Afspraken gemeente Utrecht en Eneco en visie op inzet biomassa, 31 januari 2018). Eén van de afspraken is dat de gemeente halfjaarlijks op de hoogte wordt gehouden van het actuele rendement van de stadsverwarming. We controleren met deze informatie of Eneco het rendement uit de gecontroleerde kwaliteitsverklaring in de praktijk realiseert. Dat is tot nu toe het geval.

8. En in het verlengde van de vorige vraag: is het college bereid om een reëler, lager EOR te gaan hanteren, ook met als doel dat bij nieuwbouw andere duurzaamheidsmaatregelen genomen moeten worden? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?

Nee, los van het feit dat we als gemeente een gelijkwaardigheidsverklaring niet zo maar naast ons neer kunnen leggen (zie beantwoording vraag 7), vinden wij het ook van belang dat Eneco zich blijvend inspant om een bijdrage te leveren aan het verduurzamen van de warmtevoorziening in de stad te leveren, zoals reeds eerder gemeld in de beantwoording van de SV 2018/66 (Rekenen met de forfaitaire waarde voor stadsverwarming). Indien er vanuit de landelijke overheid via het Bouwbesluit aanpassingen in de NEN 7125 worden doorgevoerd dan kijken alle partijen opnieuw naar de gelijkwaardigheidsverklaring.

9. Het gebruik van biomassa is volgens het college een “tijdelijke oplossing”, maar er worden wel steeds meer woningen op stadsverwarming aangesloten, die door acceptatie van de hoge EOR ook nog eens diverse energiebesparende maatregelen ontberen. Wat betekent dit voor de ambitie van Utrecht om zo snel mogelijk klimaatneutraal te worden? En hoe afhankelijk maakt Utrecht zich hiermee van een tijdelijke energiebron voor een veel langere termijn?

Zoals in de beantwoording van vraag 1 is aangegeven zijn we er ons van bewust dat op dit moment met de huidige EPC-methodiek de ontwikkelaar meer ruimte wordt geboden om voor een minimale kwaliteit te kiezen bij de energiezuinige maatregelen aan het gebouw. Met de ingang van de BENGsystematiek wordt deze ruimte voor de ontwikkelaar beperkter. Bij de beantwoording van vraag 1 hebben we ook aangegeven dat bij nieuwbouw energieneutraliteit en aansluiting op een lagetemperatuur-afgiftesysteem het uitgangspunt is. Wat betreft de afhankelijkheid van een tijdelijke energiebron verwijzen we naar de routekaart voor het verduurzamen van het warmtenet van Eneco (raadsbrief Afspraken gemeente Utrecht en Eneco en visie op inzet biomassa, 31 januari 2018)) en het afgesloten warmtepact door partijen om hun bijdrage aan het Klimaatakkoord te leveren. In het voorstel van de nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening is voorgesteld de maximale CO2 -uitstoot van warmtenetten af te bouwen naar nul en dit door ACM te laten monitoren. Op dit moment ligt bij de Tweede Kamer ter bespreking een kabinetsvisie op biomassa voor. Indien uit deze besprekingen wijzigingen in wet- en regelgeving volgen, dan kijken ook wij opnieuw naar onze visie op biomassa.

Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Cees Bos, Stadsbelang Utrecht