Schrif­te­lijke vragen Rekenen met de forfai­taire waarde voor stads­ver­warming


Indiendatum: 25 mei 2018

Schriftelijke vragen 66/2018

Op 14 april 2016 is motie 42 aangenomen, waarin het college opgeroepen werd om bij beoordeling van vergunningaanvragen voor nieuwbouw in de EPC te blijven rekenen met de forfaitaire waardes, in plaats van kwaliteitsverklaringen over warmte te accepteren. Door te rekenen met de forfaitaire waarde wordt voorkomen dat door een fluctuerende mate van duurzaamheid (van stadsverwarming), de energieprestaties minder duurzaam zijn dan afgesproken. Bij een kwaliteitsverklaring wordt namelijk uitgegaan van een momentopname, terwijl we ervaren hebben dat stadsverwarming door de tijd heen minder duurzaam kan worden, en op dat moment zijn de aanvullende maatregelen om tot een goede EPC te komen onvoldoende.

In een raadsbrief (“Voortgangsnotitie stadsverwarming”, 7 juni 2016) werd vervolgens gesteld dat:

Het Bouwbesluit staat evenwel toe dat een vergunningaanvrager onder bepaalde voorwaarden gunstiger rekenwaardes hanteert. Dit mag wanneer is aangetoond dat het product bij dezelfde uitgangspunten als in de norm en bij representatieve omstandigheden, een hoger rendement realiseert. Dit hogere rendement mag vervolgens wettelijk worden gehanteerd. Daartegen kan de gemeente zich niet verzetten.

De beleidsruimte voor de gemeente om nieuwe kwaliteitsverklaringen niet te accepteren is beperkt in het geval deze correct is opgesteld, van toepassing is op het Utrechtse warmtenet en er geen sprake (meer) is van een uitzonderlijke situatie zoals eerder dit jaar. Gelet op de door Bureau Controle Registratie Gelijkwaardigheid goedgekeurde kwaliteitsverklaring, de aanvullende verklaring van Eneco over het opwekkingsrendement en de bepalingen in het Bouwbesluit moeten wij vanaf het moment, dat de kwaliteitsverklaring in het landelijk register is ingeschreven, bij vergunningverlening voor woningen met stadsverwarming rekenen met een rendement van 125% voor het secundaire net.

Uit deze bewoording lijkt het alsof de (bijna raadsbreed) aangenomen motie niet wordt uitgevoerd en er alsnog niet met de forfaitaire waarde wordt gerekend.

Twee jaar na het aannemen van de motie vragen onze fracties zich af wat de opbrengsten ervan zijn. Daarom hebben onze fracties de volgende vragen:

1. Hoe wordt de motie in de praktijk gebracht?

2. Maakt de gemeente verschil tussen erkende en niet-erkende kwaliteitsverklaringen, zoals het Bureau Controle en Registratie Gelijkwaardigheid (BCRG) dat voorschrijft? [1]

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zegt op haar website dat de gemeente kan kiezen om een kwaliteitsverklaring naast zich neer te leggen en te rekenen met de forfaitaire waarde:

“De gemeente bepaalt uiteindelijk zelf of ze een (gecontroleerde) kwaliteitsverklaring accepteert of niet.” [2]

3. Geldt de verklaring van Eneco-stadsverwarming als een erkende kwaliteitsverklaring? (nb: “erkend” is iets anders dan “gecontroleerd”)

4. Klopt het dat niet-erkende kwaliteitsverklaringen, hoewel soms wel door de BCRG gecontroleerd, niet geaccepteerd hoeven te worden?

5. Klopt het dat de gemeente zich wel degelijk kan verzetten tegen het hanteren van een hoger rendement, ook als er een kwaliteitsverklaring aanwezig is?

6. Wordt bij de stadsverwarming van Eneco gerekend met de forfaitaire waarde of met het hogere rendement uit de kwaliteitsverklaring?

7. In hoeveel gevallen is er bij vergunningaanvragen voor nieuwbouw gerekend met forfaitaire waarde voor stadsverwarming, zoals opgedragen in de aangenomen motie 2016-42?

8. Hoeveel CO2 wordt er per jaar extra uitgestoten doordat er, na aanname van de motie, niet met het forfaitaire rendement is gerekend?

9. Is het college bereid om alsnog met de forfaitaire waarde te gaan rekenen om de motie in de praktijk te brengen? Zo nee waarom niet?

Stadsverwarming levert door middel van een “afleverset” ook de warmte voor het warme tapwater. Daarbij kan in de EPC-berekening worden uitgegaan van “HT” of “LT” (hoge of lage temperatuur)-verwarming. Indien LT gekozen wordt dan levert dat een lager, dus gunstiger, EPC.

10. Dient hier bij Eneco-stadsverwarming gerekend te worden met hoge of lage temperatuurverwarming? Graag een onderbouwing bij de keuze voor HT of LT.

In 2017 nam het college motie 61 over: Utrecht bouwt BENG.

11. Is het college het met ons eens dat, hoewel ook deze motie eraan bijdraagt dat er meer CO2-neutraal gebouwd wordt, deze niet dezelfde strekking heeft als M2016-42, omdat M2017-61 niet direct concreet resultaat oplevert voor woningen met stadsverwarming?

Maarten van Heuven, Partij voor de Dieren
Maarten Koning, D66

[1] (https://www.bcrg.nl/#anch12)

[2] (https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/nieuwbouw/energieprestatie-epc/kwaliteits-en-gelijkwaardigheidsverklaringen-epc)

Indiendatum: 25 mei 2018
Antwoorddatum: 25 jun. 2018

Schriftelijke vragen 66/2018

Op 14 april 2016 is motie 42 aangenomen, waarin het college opgeroepen werd om bij beoordeling van vergunningaanvragen voor nieuwbouw in de EPC te blijven rekenen met de forfaitaire waardes, in plaats van kwaliteitsverklaringen over warmte te accepteren. Door te rekenen met de forfaitaire waarde wordt voorkomen dat door een fluctuerende mate van duurzaamheid (van stadsverwarming), de energieprestaties minder duurzaam zijn dan afgesproken. Bij een kwaliteitsverklaring wordt namelijk uitgegaan van een momentopname, terwijl we ervaren hebben dat stadsverwarming door de tijd heen minder duurzaam kan worden, en op dat moment zijn de aanvullende maatregelen om tot een goede EPC te komen onvoldoende.

In een raadsbrief (“Voortgangsnotitie stadsverwarming”, 7 juni 2016) werd vervolgens gesteld dat:

Het Bouwbesluit staat evenwel toe dat een vergunningaanvrager onder bepaalde voorwaarden gunstiger rekenwaardes hanteert. Dit mag wanneer is aangetoond dat het product bij dezelfde uitgangspunten als in de norm en bij representatieve omstandigheden, een hoger rendement realiseert. Dit hogere rendement mag vervolgens wettelijk worden gehanteerd. Daartegen kan de gemeente zich niet verzetten.



De beleidsruimte voor de gemeente om nieuwe kwaliteitsverklaringen niet te accepteren is beperkt in het geval deze correct is opgesteld, van toepassing is op het Utrechtse warmtenet en er geen sprake (meer) is van een uitzonderlijke situatie zoals eerder dit jaar. Gelet op de door Bureau Controle Registratie Gelijkwaardigheid goedgekeurde kwaliteitsverklaring, de aanvullende verklaring van Eneco over het opwekkingsrendement en de bepalingen in het Bouwbesluit moeten wij vanaf het moment, dat de kwaliteitsverklaring in het landelijk register is ingeschreven, bij vergunningverlening voor woningen met stadsverwarming rekenen met een rendement van 125% voor het secundaire net.

Uit deze bewoording lijkt het alsof de (bijna raadsbreed) aangenomen motie niet wordt uitgevoerd en er alsnog niet met de forfaitaire waarde wordt gerekend.

Twee jaar na het aannemen van de motie vragen onze fracties zich af wat de opbrengsten ervan zijn. Daarom hebben onze fracties de volgende vragen:

1. Hoe wordt de motie 16/M42 ‘Dat staat zo vast als een huis’ in de praktijk gebracht?

Zoals in raadsbrief voortgangsnotitie stadsverwarming (7 september 2016) staat, hebben we de motie niet in praktijk gebracht. Eneco heeft zijn energetische claim over het opwekkingsrendement van het warmtenet voorgelegd aan het College van gelijkwaardigheid energieprestatie (CGE), die zich specifiek richt op het beoordelen van gelijkwaardigheidsverklaringen van producten. Het College van gelijkwaardigheid energieprestatie (CGE) heeft de verklaring gecontroleerd en goedgekeurd tot september 2019. De kwaliteitsverklaring is opgenomen in de openbare databank.

Met Eneco heeft de gemeente in 2016 aanvullende afspraken gemaakt over het opstellen, gebruiken en monitoren van de kwaliteitsverklaring. Tijdens dit proces zijn geen gronden naar voren gekomen op basis waarvan getwijfeld wordt aan de onderbouwing van de energetische claim van Eneco. Er is een second opinion uitgevoerd op de kwaliteitsverklaring en de gemeente wordt halfjaarlijks op de hoogte gehouden van het actuele rendement van de stadsverwarming. Tot nu toe is het rendement uit de gecontroleerde kwaliteitsverklaring in de praktijk gerealiseerd. Sinds najaar 2016 zijn de omgevingsvergunning aanvragen waarin een beroep wordt gedaan op deze gelijkwaardigheidsverklaring getoetst en geaccepteerd. Dit is nogmaals bevestigd in de samenwerkingsafspraken die met Eneco zijn gemaakt (raadsbrief 31 januari 2018).

Wij vinden het ook van belang dat Eneco zich blijvend inspant om een bijdrage te leveren aan het verduurzamen van de warmtevoorziening in de stad. Het loslaten van het werkelijke opwekkingsrendement en gaan rekenen met de forfaitaire waarde stimuleert Eneco niet om te gaan investeren in het warmtenet zodat andere duurzame (restwarmte)bronnen zoals de rioolwaterzuivering (RWZI) kunnen worden ingevoed. Dit staat overigens nog los van de vraag of we het überhaupt zouden kunnen.

Het is namelijk juridisch niet duidelijk op welke gronden een gemeente kan besluiten een gecontroleerde kwaliteitsverklaring naast zich neer te leggen. Het niet accepteren van een kwaliteitsverklaring zal moeten voldoen aan de juridische eisen van transparantie, controleerbaarheid en motivering. In het geval van de kwaliteitsverklaring van stadswarmte betreft het hier een door het CGE goedgekeurde verklaring en heeft Eneco aan alle gevraagde aanvullende voorwaarden voldaan zoals in de raadsbrief (7 september 2016) is gemeld.

Bovenstaande neemt niet weg dat het doel van motie 2016/42, te weten meer CO2 besparen, via M2017/61 in de praktijk wordt gebracht. Daarmee sturen we dat ontwikkelaars bij eigen gronduitgifte niet kunnen volstaan met een minimale bouwkundige kwaliteit en aansluiting op stadsverwarming. Partijen moeten namelijk eerst sterk inzetten op het terugbrengen van de warmte- en koudevraag van de gebouwen om de BENG-eisen te kunnen realiseren. Een mogelijk hogere uitstoot ten gevolge van het rekenen met een niet forfaitaire rendement wordt hiermee voorkomen.

2. Maakt de gemeente verschil tussen erkende en niet-erkende kwaliteitsverklaringen, zoals het Bureau Controle en Registratie Gelijkwaardigheid (BCRG) dat voorschrijft?

Ja. Voor erkende en niet-erkende kwaliteitsverklaringen voor bouwproducten of bouwstoffen moet de gemeente onderscheid maken.

3. Geldt de verklaring van Eneco-stadsverwarming als een erkende kwaliteitsverklaring? (nb: “erkend” is iets anders dan “gecontroleerd”)

Een erkende kwaliteitsverklaring voor stadsverwarming bestaat in de optiek van BCRG niet, omdat de berekening van de EOR van stadswarmte niet gebaseerd is op een norm, maar op een voornorm (de NVN 7125). Zie verder antwoord vraag 1.

4. Klopt het dat niet-erkende kwaliteitsverklaringen, hoewel soms wel door de BCRG gecontroleerd, niet geaccepteerd hoeven te worden?

Zie antwoord vraag 1.

5. Klopt het dat de gemeente zich wel degelijk kan verzetten tegen het hanteren van een hoger rendement, ook als er een kwaliteitsverklaring aanwezig is?

Zie antwoord vraag 1.

6. Wordt bij de stadsverwarming van Eneco gerekend met de forfaitaire waarde of met het hogere rendement uit de kwaliteitsverklaring?

Dit hangt af van de keuze van die de aanvrager van de omgevingsvergunning maakt. Een aanvrager mag zowel forfaitair als met de gelijkwaardigheidsverklaring zijn EPC-berekening uitvoeren. Beide worden geaccepteerd.

7. In hoeveel gevallen is er bij vergunningaanvragen voor nieuwbouw gerekend met forfaitaire waarde voor stadsverwarming, zoals opgedragen in de aangenomen motie 2016-42?

We registreren niet bij welke vergunningaanvragen voor nieuwbouw wordt gerekend met forfaitaire waarde voor stadswarmte of op basis van de gecontroleerde kwaliteitsverklaring. Als de aanvrager gebruik maakt van een niet-gecontroleerde of een verouderde kwaliteitsverklaring dan wijzen we de vergunningaanvraag af.

8. Hoeveel CO2 wordt er per jaar extra uitgestoten doordat er, na aanname van de motie, niet met het forfaitaire rendement is gerekend?

Het is niet aan te geven of het rekenen met hogere rendementen uit de kwaliteitsverklaring i.p.v. met forfaitaire rendementen leidt tot een hogere CO2 uitstoot. De gemeente Utrecht is gaan sturen op het realiseren van de BENG-eisen (M2017/61) indien het om bouwplannen in eigen gronduitgifte gaat. Zie verder antwoord vraag 1.

9. Is het college bereid om alsnog met de forfaitaire waarde te gaan rekenen om de motie in de praktijk te brengen? Zo nee waarom niet?

Zie antwoord vraag 1.

10. Dient hier bij Eneco-stadsverwarming gerekend te worden met hoge of lage temperatuurverwarming? Graag een onderbouwing bij de keuze voor HT of LT.

Partijen mogen rekenkundig gezien zelf kiezen voor HT of LT afgiftetemperatuur bij verwarming met stadsverwarming. Een LT afgiftetemperatuur levert een iets gunstiger EPC op dan een HT afgifte temperatuur. De gemeente stuurt op de transitie naar lage temperatuur warmtenetten (zoals vastgelegd in de warmtevisie, november 2017) om de inzet van duurzame bronnen met lagere temperatuur op het bestaande net mogelijk te maken, zoals de restwarmte uit de RWZI. Om LT verwarming te kunnen gebruiken als ruimteverwarming moeten woningen goed geïsoleerd zijn en grotere radiatoren en vloerverwarming hebben. De maximale energiebesparing die met een LT afgiftetemperatuur ten opzichte van een HT afgiftetemperatuur kan worden gehaald in de berekening van de EPC, is een paar procent, dus het voordeel is minimaal.

11. Is het college het met ons eens dat, hoewel ook deze motie eraan bijdraagt dat er meer CO2-neutraal gebouwd wordt, deze niet dezelfde strekking heeft als M2016-42, omdat M2017-61 niet direct concreet resultaat oplevert voor woningen met stadsverwarming?

Nee. Hoewel de strekking tussen de twee moties inderdaad anders is, leidt M2017/61 tot concreet resultaat voor het verlagen van de CO2-emissie. M2017/61 zorgt ervoor dat woningen een lagere energiebehoefte hebben dan woningen die niet conform BENG gebouwd worden. De lagere energiebehoefte leidt tot minder energieverbruik voor verwarming en daarmee tot lagere CO2 uitstoot vanuit ruimteverwarming. Dit geldt ook voor stadsverwarming. We kunnen alleen bij eigen gronduitgifte sturen op het realiseren van BENG eisen. Vanaf 2020 geldt voor alle nieuwbouw dat vergunningaanvragen moeten voldoen aan de eisen voor BENG.